121
wind verflost, walmde zwart over ’t water en Herman zag strikje voor stukje koolstof zweven en dan als bevende zwarte slipjas zich vastzetten op 't voorhoofd van den schipper.
„Dat zijn kerels, mijnheer ; daar hebben ze zooveel lui aan boord, dat ze wel een burgemeester mochten benoemen.”
De stoomboot, hoog op 't water, maar spits van voren, de zee klievend op de hooge golven die toch nog machteloos sloegen tegen de hoogere, grijze zijden, voer voort, niet trotscb en lichtelijk als het fregat, maar sneller, practischer, droom-loozer, meer een machtig zeedier snel voortsluipend over do vale zeevlakte.
Herman zag de verschillende dekken ; hoven rechts wuifden een paar dames, lichte, ranke, kleine, bisquit-tiguurtjes, de Jeanmtte met een zakdoek toe. Een paar machinisten, in blauw boezeroen, stonden bij de stoompijp. De stoomboot voer recht tegen den wind in; zij behoefde geen zeilen te minderen, niet op getij en windstrooming te letten. Waar deerde haar, zij, de ijzer en staal geworden wiskunde met haar gloeiende buik van steenkolen en de zwarte triomfstoet van uitgedreven rookgeesten, al deze tegenheden van de zeilschuit, die ze immers lichtelijk met haar vernuft had overwonnen. En wat deerde haar de dood van nimfen en tritons, van avontuur en kaperij ?
Het was een overwinning, die stoomboot tegen dat fregat, wel zeker. Maar Herman haatte de overwin-nares toch ; zoo had hij op school een intensen hekel gehad aan enkele knappe jongens, die zoo goed hun algebra en meetkundige opgaven oplosten en als voorbeelden geprezen werden door leeraren, die ook zoo