119
onder de marsera door. Ze komen dan door het soldatengat aan dek, worden geschoven door dubbele voetblokken tegen boord aan en dan beleg je ze op de nagelbanken ....
„Hou een beetje in den wind, Piet,” zei de schipper tegen den stuurmansmaat. En dan streek bet fregat, nu een reusachtig gevaarte tegen de kleine Jeannette, voor dier boeg langs, trotsch, statig, breed, indrukwekkend. Het was een wereld, een sfeer die daar op dat schip leefde; dat was het echte zeemansleven, een eigen leven, met een eigen taal, met eigen zeden, eigen wetten, een afgesloten deel van de groote wereld.
Herman ging naar bakboordszijde en over de verschansing oogde bij bet schip na, dat, daar de Jeannette dwars gekoerst bad, zich snel verwijderde naar de verre kim, die zacht paarsch zich weefde met veege roze streepen, van rooddoorlichte wolken. Maar heel ver zag hij een groote stoomboot aankomen, grijs, met twee lage masten en een dikke zwarte rookpluim, walmend uit de ronde schoorsteen, die half zwart, half geel was geschilderd.
Willem was naast Herman komen staan om het fregat na te kijken. „Die daar,” zei hij, op de stoomboot wijzend, „hebben liet ’m gedaan. Die zijn de moord voor de zeilschepen. Alles moet met stoom tegenwoordig en het gaat veel vlugger, dat staat vast. Maar smerig varen is het, mijnheer. Je zit altijd vol rook en gruis en roet en machineolie; op mijn fregat, de Meermin heette het, daar vond je geen stoffie. We hadden een kapitein aan boord die op zijn schip zoo zindelijk was als een vrouw. Als je een pruimpie had, moest je het niet op dek gooien of hij gooide jou