118
en bezaansmast. Vooruit, die dwarssche heet de boegspriet en dat hout daarbij noemen we de Spaan-sche ruiter. Als je al die namen wou kennen van het tuig, dan had je dagwerk. Daar heb je de ra’s. Je fokkera, je snauwsmast, je voorbarkzeilsgaffel, je voorzaling. En dat hout daar aan de grooten kop noem je het groot matse ezelshoofd. Daar heb je de grietjessteng en de bovengrietjessteng . . ..”
„Dat krijg ik nooit in mijn test,” zei Aai.
„Je bent ook een mooie jongen,” zei Willem op Aai neerziend. „Als ik zoo jong was als jij, hielden ze mij niet op een vissclierman .... ben jij de zeun van een zeeman ? Jij bent een schutter. .. .” en weer naar het fregat turend, dat nu dichterbij grooter was geworden, nu machtig en zwaar met het vele touwwerk en de zeilen .... „jongen, jongen, jongen, wat een stuk schip. Zijn onderzeilen, zijn marsies, zijn brammetjes en zelfs tusschenstaggies, dat is een baas ....”
Hij stond in bewondering met de anderen om hem heen en noemde in gedachten de namen van want en touwwerk, als bracht iederen naam hem nieuwe herinneringen uit zijn jeugd. En de jongere matrozen zagen naar Willem op, die zooveel verstand van schepen had. Willem, groot zich voelend met zijn kennis, begon nu op onderrichtende toon Aai en Steven en nog anderen in te lichten.
„Daar heb je nou de bramschoten, die worden met dubbele schootsteken opgestoken op de scliootleuvers, varen door de schildpadden aan den achterkant van de marsera en vandaar verder over de achterste schijven van de geitouwblokken, die zijn drieschijfs zie je,