117
„Dut is een sclïip naar mijn hart”, zei Willem, de oudste der matrozen, die vroeger ter koopvaardij had gevaren.
„Dat is nou, mijnheer, je mooiste schip, een volgetuigd fregat. Daar hel» je de ruimte en als je daar op bent, behoef je je niet te vervelen — je kunt er oj) wandelen, zoo goed als in de Hoogstraat te Ylaar-dingen. Tegenwoordig zie je ze maar weinig. Ik heb er in mijn jeugd op ’ewoest, van mijn negende tot mijn dertigste jaar. De heele wereld heb ik er mee rondgevaren ; jongen, jongen, als ik daar nou weer eens op kon komen !”
„Gaat het dan niet meer, Willem ?”
Herman keek hom eens aan. Willem, hoewel reeds grijzend van haar en baard, een goede vijftiger, in zijn hooge zeelaarzen, zijn pijekker aan en zijn zuidwester op, wreef met den rug van zijn hand langs zijn mond, waaruit bruin pruimesap liep. Hij zag er nog stevig uit, met de breede schouders, te breeder schijnend dooi- zijn korte, solide bouw.
„Nee, mijnheer, dat is uit, daar ben ik te oud en te stijf voor. Gp zoo'n schip moet je kunnen klimmen als een kat, anders ben je niets waard. Wat’n prachtstuk, wat een waterbouwer !”
„Hoe noem je dat scheepstype?”
„Wat zegt u?”
„Type is zooveel als soort,” onderrichtte de schipper Herman vóórkomend.
„Dat is,” zei Willem, „nou je echte, zuivere, volgetuigde fregat. Daar zit wat doek op, mijnheer. Jongen, jongen, alle «loekies heeft ie op, zijn breefokkie incluis. Die drie masten noem je nou fokkemast, groote mast