116
zag altijd tevoren wanneer er een buis (x) in aantocht kwam. Hij kroop dan onder een bank en de matrozen, vaak daardoor gewaarschuwd, ontgingen een stortbad, door ijlings zich achter een mast of de as van de stoomlier of de kajuitskap te bergen.
„Hij is met de kermis bij ons op 't schip komen loopen. Twee dagen is ie zeeziek geweest, toen was hij opgeknapt en nu is hij al aan zijn derde reis. Als we aan de wal zijn brengt ie bezoeken bij zijn maats op de andere schepen — 't is een sinjeur, is ’t niet, beste Bruin, ben je niet een uitlooper, — maar hij kent tusschen de honderd schepen in de haven altijd zijn schip er uit. En het sterkste is, Cheffie, dat, toen ik op een ander schip een reis maakte, dat ie na twee dagen aan ’t pierewaaien te zijn geweest, over twee andere loggers heen, het schip, waar ik op was, wist uit te vinden.”
Aai, een der twee jongste matrozen, had met den kijker naar den einder getuurd en de schepen gemonsterd die aan de kim zeilden.
„Een augurkieshaalder”, riep hij.
Herman keek in de richting, naar welke de matroos gewezen had. Een groot zeilschip met drie masten, volopgetuigd, stevende aan. Slank van bouw, met de zeilen bol van den wind, vlug en licht strijkend langs het diep-groene vlak, donker in de sfeer vol zilverlicht, scheen het, ondanks zijn zwaarte, te spelevaren. Herman kwam onder den indruk van dat ranke zeekasteel.
Een viertal matrozen waren bij hem en den schipper aan stuurboord komen staan om naar den trot-schen zeiler te kijken.
I) Stortzee, die over het schip slaat.