113
laat je voor z’n oogen naar den kelder gaan. Een Hollander heeft veel meer barmhartigheid bij zich. En het gemeenste zijn de stoomtrolders. Als die je in de vleet kunnen varen, dan laten ze ’t niet. Daar hebben wij al wat schade van gehad.”
„Maar er is toch een Hollandsch oorlogsschip dat jelui beschermt V”
„Dat is er - dat lees je tenminste in de krant als het uitzeilt of binnenvaart — maar ik heb het nog nooit gezien. Maar de zee is zoo groot en het kan ook niet overal zijn. En dan, hoe kunnen ze je helpen tegen die trolders. Als een haringschuit zijn vleet uit heeft — dat zal je vannacht zien — dan ligt het machteloos aan zijn netten vast, vaster dan wanneer het aan twee ankers lei. Want zoo’n net is zwaar, Cheffie. De trolders hebben maar één net van achteren, dat ze al heel gauw kunnen ophalen. Nou visschen die Engelschen naar platvisch, schol, kabeljauw, schel-visch, makreel — juist visch, die de haring volgt en ze willen dus het liefst daar visschen waar do haring zit. Als ze je nou kwaad willen, dooven ze als ’t moet, ’s nachts hun eigen vuren, varen je vleet stuk, en gaan er van door. Je kunt door de donkerte dan niet eens zien, wie je netten heeft geruïneerd en tegen den morgen kan je naar je tuig visschen, als het er nog is en zij zetten hun netten uit. Doe daar nu maar wat aan. Vervolgen kan je ze niet, want al kapte je je eigen netten af en al kan je bij heldere maan ze toch zien, zij hebben een stoomschroef en daar kan je toch niet tegen opzeilen. Neen, de Engelscliman op zee is een rakkert, Cheffie.”
1) Trolder, tl. i. Trawler.
Een Droomor ter Haringvangst.
8