112
„Dag Léén, Léén, wij hebben een passagiertje aan bóóóóórd.”
Langs de weeflijn van de bazaan van ’t andere schip, nu al ver weg, een bobbelend speelschuitje, klom een klein, bruin menschfiguurtje en zwaaide met een doek en een onverstaanbare schreeuw klonk over het water.
Herman oogde bet verdwijnende scheepje na. Ook daar een maatschappijtje als het hunne — het had hem goed gedaan die ontmoeting van menschen in de verlatenheid van hun klein rijkje. En toen met het gunstige briesje de Jeannette flink vooruitstevende, werd het druk op zee. De horizont was dra door tientallen schoepjes, zachtblauwend aan de kim, onderbroken. Het gaf een gevoel van veiligheid, van meer verweer tegen het gevaar, zoo omringd te zijn door andere schepen.
„Het is hier druk bevaren, schipper!”
„Ja, Cheflie, we zijn waar we wezen willen. Zie je die drie bommetjes daar, die liggen aan de vleet — dat zie je aan de tonnetjes. En die daar, met die bruine zeilen, dat is een Franzoos, Parlez-voo franzais, owi mosieu met de potlepel — en die daar, rechts, dat is een Engelschman, o yes, your bloody devil, en daar heb je ook een schuit uit Emden, wollst du Schinken, Heinrich von Poldowopski.”
„Jij kent je talen, schipper.”
„Vroeger kwamen we dikwijls te Yarmouth, Cheflie, om haring of visch tej verkoopen, maar dat is nu uit. De Engelschman houdt nu de markt voor zich — ze zouden je steenigen als je er aan de markt kwam. ’t Is kwaad volk, mijnheer, de Engelschman op zee. Hij