109
Herman ging naar ’t vooronder. De zware, warme reuk van gekookt eten en menschen kwam hem weer tegemoet. Maar hij daalde af in ’t ruim en in ’t vage licht zag hij ze aan hun maaltijd zitten.
Ze zaten rond het gloeiend gestookte kombuis, een groot maar niet hoog zwart kookfornuis. Achteraan in ’t midden zat de schipper ; en terzijde de andere visschers met hun doorploegde, goedige arbeiderskop-pen, vaal in het matte licht, dat door de patentglazen viel en van uit het open luik kwam. Ze zaten twee aan twee naar elkaar toegekeerd; een houten trog met roode kool en aardappelen tusschen hen in. En in de roode kool stond een witte kom, waarin gesmolten margarine, dik en bruin van de zwarte peper, die er rijkelijk was ingestrooid. Zij aten stil, over de kommen gebogen, met ijzeren vorken.
,,Eet smakelijk, mannen !”
„Dank je Cheftie. Dank u mijnheer.”
„Schipper, het scheepje is nu dichtbij.”
„Heb je al wat gegeten ?” vroeg Kokkie.
„Nee,” zei Herman.
„Proef dan dit ereis,” zei Kokkie. En hij greep met de vingers een grooten aardappel uit zijn bak, prikte hem op de vork, doopte hem in de margarine en bood hem Herman aan.
Deze nam hem aan en at den aardappel op.
„Hoe smaakt dat?” vroeg Kokkie.
„De rijkdom in Vlaardingen krijgt ze zoo niet,” lachte Herman.
„Nou neemt mijnheer ’m te grazen 1” zei de schipper, met zijn hand een paar kruimels in zijn mond latende glijden.