Een droomer ter haringvangst

Titel
Een droomer ter haringvangst

Jaar
1894

Pagina's
276



107

hielden het met de groote, zware, eeltige handen vast en gaven het voorzichtig rond en roken er een beetje aan.

Herman lachte hun eens toe met zijn witte tanden. „De rijkdom weet wel hoe ’t moet”, zei Aai, een van de jonge matrozen.

„Het kan zijn”, zei een ander, „maar een pruimpje achter je kiezen is wel zoo zuiver.”

„Ik heb de mijne nooit geborsteld”, zei Kokkie, „en ik bijt het hardste been door. Allemaal weelderigheid, waar wij menschen niets aan hebben.”

Herman had zich gewasschen en voelde zich ver-frischt, opgeruimd, een ander mensch. Hij had bij ’t rondgaan van ’t doosje bemerkt, dat de meeste visschers diepe wonden hadden. Ook had hij dikwerf al gezien dat de stuurman in de kajuit uit een bruine lade in een kastje een diapalm-pleister had genomen en die op zijn wonden gelegd.

„Hoe komen jelui aan die wonden?” vroeg hij aan den kok, op wiens armen hij zelfs wonden merkte.

„Dat zijn zoutvreters, mijnheer. Nu is ’t nog niet erg. Maar als wij straks aan de vangst gaan en er komt pekel in, dan bijt liet tot op het been door uit. En dan schuren je leeren mouwtjes er langs — dat doet pijn, leelijk pijn.”

„En hoe komen jelui aan die wonden?”

„Als je bij je werkzaamheden, bij ’t kaken bijvoorbeeld, een wondje krijgt en je moet met die wond in die brandende pekel en het grove zout werken, gaat het hoe langer hoe dieper.”

„En heb je er geen geneesmiddel tegen?” „Sommigen laten er aan wal gloeiende terpentijn

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.