105
Dan gaat liet over. Als ik goed in mijn werk ben, voel ik de ziekte niet.”
„Wil je je niet eens wasschen?” vroeg de stuurman. Herman had in drie dagen geen gelegenheid gevonden zijn toilet te maken. In zijn Perrv-koffertje had hij alle benoodigdheden ruimschoots — hij besloot ze te beproeven.
„Hier is een puts — sla zelf maar een beetje water, Cheftie”, zei de schipper, hem een zware puts toereikend met een leuk knipje van zijn oog tot den stuurmansmaat. Deze gooide zijn pruimpje van de rechter naar <le linkermondholte.
Kokkie kwam uit het vooronder gekropen. Hij zag bijna geheel zwart van de rook.
„Kijk eens onder de kippensopha, mijnheertje.” Herman keek in de aangewezen richting.
„Zie je niks?”
„Nee Kokkie.”
„Zie je niet dat ze weg bennet”
„Wie?”
„De rooie kolen, mijnheertje. Die zwemmen nou in de pot. Ik heb ze flink gesmeerd, dat zal je smaken.” Herman nam de puts op en wierp deze over de verschansing. De houten bak kwam plat op de golven terecht en Herman deed vergeefsche moeite om er water in te scheppen. De visschers, in een lialven kring achter hem, hadden pret. Maar Kokkie nam het touw over en haalde een puts water op.
,, 't Is een gevaarlijk spelletje. Op mijn vorig schip is er een man mee overboord geslagen.”
Herman stond nu voor de puts met zeewater. Dat was helder en toen hij zijn jjvingers er in doopte,