104
„Cheffie, wil je bakkie staan. En zal ik je eens schoeien? Dan kan je boven komen. We gaan praaien en ik zal je de visscherij uitleggen en met Gods hulp zullen we vandaag visschen. Het is een gelegenheidje...”
De schipper was beneden gekomen; hij had op een bord een haring in kleine mootjes gesneden en bood die Herman aan.
Herman, hongerig, graag, at eenige mootjes.
De schipper voor op de bank zittend, genoot van de eetlust van zijn patiënt.
„Je zult wel gauw zeebeenen krijgen en aan de lucht wennen. Op mijn schip is 't leven wel te houden — je bent op geen Oostinje-vaarder. Er wordt van middag rooie kool gegeten — je moet maar eens meeproeven, Cheffie. Dat zal je helpen.”
^Herman stond op; dadelijk voelde hij zich weer ziek. Maar door den schipper geholpen, kleedde hij zich, en in zijn kort, gelapt broekje, zijn slaapmuts op, zijn trui aan, zijn lorgnet op, kroop hij langs het trapje naar boven. Het was middag; de zee, diepgroen, lag breeduit, matig kalm; de stolp van de lucht was hoog, en alleen om de zon heen stapelden zich dichte wolkenbanken met lichte verdiepingen van blank zilver. Er woei een zachte bries.
„Morgen mannen.”
„Goeden morgen, mijnheer. Gaat het wat heter? Gerrit is ook weer ziek”, zei een visscher.
Gerrit, de oudste der jongens, lag weer tegen den fokkemast. Toen hij Herman zag stond hij op, kwam naar hem toe en met zijn dik goedig gezicht lachend, dat zijn tanden te zien kwamen:
„Van middag [gaan we visschen doet u dan mee?