Duitsland 1933. Hitler is rijkskanselier, de nationaalsocialisten hebben het op straat voor het zeggen. Op de Rijksdagbrand in februari reageert de nieuwe regering met een nooddecreet ‘ter bescherming van volk en vaderland’ dat in feite de aanloop vormt tot de opheffing van alle grondwettelijke rechten en vrijheden. De door niets meer belemmerde willekeur van de nationaalsocialisten richt zich op de diverse politieke en ideologische tegenstanders.
In het middelpunt van die collectieve golf van haat staan de Duitse joden. Zij worden verantwoordelijk gesteld voor alle vermeende wantoestanden in Duitsland sinds de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog. ‘De joden’, zo wordt de massapropaganda niet moe te verkondigen, ‘zijn ons ongeluk!’ Als een vernielende bende trekt de SA door de straten van de steden en brult zijn van haat doordrenkte liederen: ‘Wenn das Judenblut vom Messer spritzt, dann geht’s noch mal so gut! (Als het jodenbloed van het mes spat, dan gaat het pas echt goed)
‘Juda verrecke!’ (Jood verrek!) is hun leus.
Wie waren dat, de joden in Duitsland, destijds in 1933? Met hun aantal van nog geen half miljoen maakten ze iets minder dan één procent van de bevolking uit. Ongeveer tachtig procent van hen was in godsdienstig opzicht liberaal, vijftien procent rekende zich tot de orthodoxie. Deze gelovige joden lieten de joodse wetten prevaleren boven hun band met Duitsland, maar ook bij hen was er onmiskenbaar een zekere verbondenheid met het land, die voor een deel het resultaat van eeuwen was. De overgrote meerderheid van de in Duitsland wonende joden, meer dan viervijfde, was in het land zelf geboren en beschouwde zichzelf gewoon als Duitsers. De ‘Centrale vereniging van Duitse staatsburgers van joodse gezindte’, die van zionistische zijde wel eens voor de grap ‘Centrale vereniging van joodse staatsburgers van Duitse gezindte’ werd genoemd, telde rond de 70.000 leden in 500 plaatselijke groepen. Deze in 1893 opgerichte ‘Centrale vereniging’, die een voortgaande toenadering tussen de Duitsers en het jodendom