Over het lot van veel familieleden en bekenden die in handen waren gevallen van de Duitse barbaren, hoorden we de gruwelijke waarheid. We hadden het gevoel alsof we in een overvolle theaterzaal by een tragedie zaten, terwijl er bij het vallen van het laatste doek nog maar een heel klein deel van het publiek over was.
Mijn vriend, Werner Kadisch, die het gelukt was begin 1939 naar de Verenigde Staten te vluchten, stierf een jaar later aan de gevolgen van zijn verblijf in het concentratiekamp. Hij was 39 jaar oud.
Mijn tante, Frieda Josephy en haar beide dochters Edith en Lily werden in 1942 gedeporteerd. Edith was toen ernstig ziek. Ze werden alle drie door de Duitsers vermoord.
Mijn neef, Hans Sonnenberg, die wij kleding stuurden naar het Franse concentratiekamp Gurs, keerde nooit meer terug. Nog jaren later wachtten zijn ouders tevergeefs op hem of op een teken, waardoor zij zekerheid kregen over zijn lot.
Norbert Neufeld, de jonge arts, die wij in Amsterdam hadden leren kennen, dook onder, maar werd door de