Een paar passagiers hielpen ons met het inladen van onze bagage en bij het instappen. Ik was blij een tijdje te kunnen staan.
Na een uurtje moest onze vrachtwagen een andere kant uit en zetten wij onze reis te voet voort.
Een jonge man liep met ons mee. Ik liep naast hem, terwijl Margot en Ur-sel vooruitlopend al zwaaiend probeerden, ieder Canadees militair voertuig tot stoppen te bewegen.
Eindelijk hadden ze geluk. Een Canadese soldaat stopte met zijn jeep. Margot en Ursel klauterden erin. Omdat de soldaat dacht, dat de twee dames alleen waren, wilde hij onmiddellijk wegrijden. De man en ik renden er achteraan en sprongen op de rijdende auto. Ik brak bijna mijn nek. Weer had ik een beschermengel.
In Amsterdam zette de chauffeur ons af bij het Concertgebouw. Margot en Ursel maakten zich een beetje toonbaar en deden wat lippenstift op. Met loodzware benen sleepten we ons naar de Michelangelostraat. Op de hoek van de Euterpestraat stond tot onze grote vreugde Just Rosenthal ons op te wachten. Onwerkelijk lang geleden hadden we afgesproken, dat we ons bij hen zouden melden, zodra we onze schuilplaats konden verlaten.
“Ik kom hier al een paar dagen om naar jullie uit te kijken”, begroette Just ons.
Ongeveer vijf weken bleven we bij Just en Erna, die ons met liefde omringden. Margot huurde zelfs een kamer bij hen, waar ze tot 1947 bleef wonen.
Ursel was zestien pond afgevallen en woog nog 89 pond. Ik woog 120 pond, 28 pond minder dan bij het begin van onze onderduik.
Slechts langzaam herstelden we ons van die ellendige jaren.