Ursula en Herbert Lebram in Amsterdam in 1945, nog getekend door de ontberingen van de onderduiktijd.
we moeten doen is langs de weg gaan staan die van Alkmaar naar Amsterdam leidt.”
We sleepten ons voort van Alkmaar naar Heiloo, dat enige kilometers verderop lag.
Het onwaarschijnlijke gebeurde. Een vrachtauto kwam onze kant op. In de laadbak stonden een paar mensen met hun bagage. We wenkten hen, de chauffeur remde.
Wim Roos had ervoor gezorgd, dat we een persoonlijke brief van de commandant bij ons hadden, waarin verzocht werd ons hulp te bieden bij onze reis naar Amsterdam. De basis voor deze brief was een verklaring van Carel van Hartingsveldt, waarin hij bevestigde, dat wij statenloze ‘onderduikers’ waren, die hij in zijn huis verborgen had gehouden.
We toonden de brief van de commandant aan de chauffeur. Daarna zei hij: “Klimt u er maar in. We gaan weliswaar niet naar Amsterdam, maar u kunt een eind meerijden.”