Hij had vast gelijk. Toch liet ik me eigenlijk met tegenzin overhalen om te gaan praten met de grootste aandeelhouder van Cohen & Kempe, Pritz Kempe, waarmee hij een gesprek had geregeld. Het was weer zondagochtend, toen ik met een potentiële nieuwe chef kennismaakte.
Het gesprek duurde vrij lang. Afrondend legde Fritz Kempe me een contract voor met een twee keer zo hoog salaris als tot dusver en de garantie twee keer per jaar naar Parijs te reizen om me ter plekke van de nieuwste mode op de hoogte te stellen.
Voor mij ging een lang gekoesterde wens in vervulling. Ik tekende en ging ook accoord met de clausule, dat een boete van 10.000 mark zou moeten worden betaald, als ik de baan uiteindelijk niet zou aanvaarden.
Toen ik de volgende dag bij Max Wolf mijn ontslag indiende, bood hij mij een duidelijk beter salaris. Nadat ik hem echter op de clausule had gewezen, accepteerde hij - zij het met moeite - mijn ontslag. Ik verliet het bedrijf niet zonder spijt. En waagde de stap naar een nieuwe wereld.
Reeds twee maanden later reisde ik met Fritz Kempe naar Parijs om de collecties van de beroemde couturiers te bekijken en ideeën voor mijn ontwerpen op te doen. Alle modehuizen, waarvan ik jarenlang de namen slechts met het grootste respect durfde uit te spreken, bezocht ik nu zelf. Bernard, Agnes Beer-Drécoll, Mainbocher, Patou, Lanvin en Madame Cha-nel. En zoals mijn vader het me jaren daarvoor had voorspeld: we bezochten de rennen van Longchamps, waar ik me temidden van een niet te overzien aantal elegante dames in het walhala van de mode waande.
Kort voor mijn derde bezoek aan Parijs in de herfst van 1928 voerde Erna een serieus gesprek met me. “We zijn nu bijna vijf jaar bij elkaar. Denk je niet, dat het tijd wordt om te beslissen, of we willen trouwen?”
Sinds lange tijd stond het voor mij vast, dat als het op een huwelijk aankwam ik met een jongere vrouw uit een gegoede joodse familie wilde trouwen. Om beide redenen kwam een huwelijk met Erna niet in aanmerking: Ze was net zo oud als ik. En ze was niet joods.
Ik wilde eerlijk tegenover Erna zijn, toch vond ik het moeilijk om te zeggen: “Ik wil je toekomst niet in de weg staan. Misschien is het voor ons allebei het beste, als we uit elkaar gaan.”
De daaropvolgende weken waren verdrietig. Ik wilde Erna eigenlijk niet kwijtraken. “Was ze maar familie van mij”, dacht ik zorgelijk “of was er maar een andere manier, waardoor we elkaar niet uit het oog zouden verliezen.”