daarvan, tot de laatste vijf minuten zeker niets geweten. Bij de selecties, die, veelal in het „Revier" (hospitaal), en ook daarbuiten gehouden werden, was dat natuurlijk niet het geval. Dan wisten de mensen vaak twee of drie dagen tevoren reeds, dat zij voor vergassing waren opgeschreven.
De spanning was echter gedurende het kampleven zo intens, en de versuffing en verdoving van alle physieke en psychische prikkels zo groot, (in het eten werd bovendien veel broom verwerkt), dat er naar verhouding weinig paniek ontstond en weinig ontvluchtingspogingen werden gedaan.
Mij persoonlijk heeft de angst voor de lichamelijke uitputting, waaraan niet te ontkomen was, omdat je, als je geen koorts had, moest doorlopen, steeds veel meer beheerst, dan die voor vergassing. Het laatste was al zo iets als noodlot geworden. Daarmee hield ik me niet meer bezig. Als het uur voor mij gekomen was, zou ik het wel merken. Maar tegen uitputting kon ik nog vechten. Dat was ikzelf. Aan zo min mogc-lijk energieverbruik kon ik nog mee helpen en deze bewuste strijd om niet aan uitputting ten onder te gaan, plus zo nauwkeurig mogclijke lichamelijke verzorging, met bovendien het toeval of de Voorzienigheid, al naar men het noemen wil. die mij buiten de selecties liet vallen, is vermoedelijk mijn redding geweest.
130