EEN TOCHT OP DEN WOLGA.
Hoe Zuidelijker men vordert, des te meer kleur krijgt het meren op aanlegplaatsen. Men bemerkt dat men zich bevindt diep in het hart van Rusland, ver van het centrale cultuurcentrum. In steden als Samara en Saratof krijgt men den welgemeenden raad goed op zijn q u i v i v e te zijn tegen het ras der vingervlug-gen, dat graag op den welvoorzienen buidel van pleizierreizigers aast. In de donkerkleurige passagiers, die in hun havelooze plunje aan boord komen, herkent men vaak de warmbloedige Tartaren, die met vrouwen en kinderen schilderachtige groepen vormen. Wanneer het sein tot embarkeeren gegeven wordt, dringen mannen met rauw getier tusschen huilende kinderen en angstige vrouwen naar voren, met hun armzalige kisten of bundels baan zoekend. Een scherpe snauw, of een krachtig handgebaar van een toeziend scheepsbeambte temperen de drift. Sjouwerlieden dragen op een draagstoel op den rug geweldige kisten en balen aan boord, die zij alleen aan kunnen; in aan het Oosten herinnerenden melodieu-zen maatzang werken anderen samen aan grooter vrachtgoed.
De vaart op den Wolga heeft nog een andere bekoring: het oneindig-lange en geweldig-breede houtvlot, dat er wederom aan herinnert, dat men in een gebied vertoeft van ontzaglijke afmeting. De houtvlotten verleenen den Wolga eigenlijk zijn schilderachtigheid. Men vindt ze van afstand tot afstand geregeld op het water, in formatie va nkilometers lengte soms. Zij groeien daar voortdurend aan en worden, even vóór het intreden van den winter, naar de plaatsen hunner bestemming gesleept. Deze houtvlotten zijn bewoond, van den aanvang af. Op de vlotten zijn een of meer woningen gebouwd, die in de verte gezien op den onbekende eerst den indruk maken van witte hondenhokken. Het merkwaardige van deze woningen is, dat zij heelemaal den vorm hebben van het mooie, evenwichtige Russische blokhuis en versierd zijn met prachtig bewerkte raamkozijnen van typisch Russische constructie. Zij verhoogen de levendigheid van den Wolga, doch den gezagvoerders van schepen maken zij de verantwoordelijkheid zeker niet lichter.
« *
*
Moedertje Wolga!
De Rus bemint zijn machtige rivier zoo teeder als ware het een vriendelijk-murmelend beekje. Hij bezingt ze in sentimenteele liedjes, die men den heelen Wolga langs hoort. Wie zal echter zeggen, waarom hij ze precies zoo bemint? Kan men altijd precies zeggen, waarom men iets bemint ? Maar zeker is, dat de Rus in den Wolga, die dwars door Rusland heenstroomt, zijn eigen, groote Rusland, het echte Rusland, terugvindt, dat hem zoo dierbaar is, en wel niet anders kan, dan daaraan zijn vreugden en smarten toevertrouwen.
111