no. 234. Ungebet'ne kerojwin setzt me hinterm ojwn. Weill p. 77.
263. Geschtalt. Sie hot nit viel an, und doch e geschtalt (var. e hillech, e ssof).
Zij heeft niet veel aan, en toch een (slecht) figuur (var. ziet er toch bespottelijk, smakeloos uit). Gezegd van iemand die zich erg opdirkt en er daardoor bespottelijk of smakeloos uitziet. Geschtalt D. Gestalt eigenlijk gestalte. Jidd. = slecht figuur. Hillech H. hilluch eigenlijk gang. Jidd. = smakeloze, lelijke kleding, Ssoff H. ssof eigenlijk einde, slot. Deze drie woorden hebben in het Jiddisch een ongunstige bete-kenis gekregen. Ssof is in het Ned. overgegaan zie 614. V.P. 42. en
293. - Weill 179. Hiluch-allure, s'emploie en mauvaise part.
264. Geschtibbelt. Geschtibbelt un geschpoort.
Gelaarsd en gespoord. Bet: In de puntjes. Op zijn paasbest. Eigenlijk: geheel reisvaardig. D. Gestiefelt und gespornt. D. Stiefel = Laars. Voor wissel w־b zie inleiding § 4, II, 7.
Bij deze en dergelijke uitdrukkingen moet men denken aan de invloed van de, dikwijls in het Jiddisch bewerkte, ridderromans. Zo verscheen bijv. ± 1680 in Amsterdam een Artus-roman ״Ein schein ma’aseh vun Kenig Artis hof” bewerkt door Jossel Witzenhausen, die ook... Tenach in het Jiddisch vertaalde.
265. Geschtoggen. Das is nit geschtoggen un nit gefloggen.
Bet: Deze bewering lijkt nergens op. De anekdotes van Tendlau. en anderen (de uitdrukking zou slaan op een godsdienstdiscussie tussen een Jood en een christen inzake het ten hemel stijgen of vliegen van Jezus en zou dan betekenen ״niet gestegen en niet gevlogen” etc.) zijn secundair en als verklaring onaanvaardbaar.
Vgl. ook J. Gerson: Die Jüd-deutsche Sprache, Köln 1902, 128: ״Nit gestegen, nit geflegen: gänzlich erlogen-gestegen ist wahrscheinlich aus m.h.d. gestoben umgebildet, nicht gestoben, nicht geflogen, würde insofern auch sinngemäss sein, als stieben m.h.d. auch 'schnell laufen, rennen, fliegen’ ״bedeutete”. Dus: niet gestoven en niet gevlogen. De huidige vorm geschtoggen ontstond dan door Fern-Assimilation aan gef loggen.
V.P. 47. Nit gestoggen un nit gefloggen. - Nascher 86. Nit gestoigen ün
82