Duits matt. Melooche. H. melacha = werk. In de vorm ״meloochem” opgenomen in de Ned. volkstaal.
258. Gescht. Gescht un fisch bleiben nur drei teeg frisch.
Gasten en vis blijven slechts drie dagen fris. Vgl. Midrasch Tehillim 23. Op de eerste dag gast. de tweede dag last. de derde dag stank. Teeg = D. Tage. Vgl. voor Latijnse parallel Slijper in Tijdschrift Ned. Taal en Letterkunde XXXII, 265. geciteerd naar Harrebomée II, 386. Post tres sepe dies vilescit piscis et hospes.
Men zie ook J. en A. Romein, De lage landen bij de zee. 3e druk pag.
157. Men was gastvrij... maar de reizende gast werd dan ook ver-ondersteld niet langer dan twee nachten van die gastvrijheid te profiteren. ״Drie-daagse gasten en vis, ziet men niet graag aan de dis”. Philo 159. Drei Tage ist man Gast - Später fällt man zur Last. Bernst. 50. Drei tug is man a gast - Schpeter wert man zü last.
259. Gescht. Durch gescht un gesinder bringt me araus die kinder Door gasten en personeel komen praatjes over de kinderen in omloop. Gescht zie no. 592.
Gesinder meervoud van D. Gesinde.
260. Gescht. E gescht for e weil, seht weiter wie e meil.
Een gast voor een ogenblik ziet verder dan een mijl. Bet: Een vreemde ziet vaak vlugger en scherper dan een ingewijde. Tendlau. 719. gascht uf e Weil guckt uf e Meil. — Bernst. 50. dito. Zie voor gescht no. 592.
261. Gescht. Essende gescht, trogende gescht.
Etende gasten, dragende gasten. Afkeurend van gasten, die niet alleen eten, maar ook trachten iets mee te nemen.
262. Gescht. Ongepraajte gescht setzt man bei die tier. Varianten: hinter, an die tier.
Ongevraagde gasten zet men bij (achter, aan) de deur. Bet: Ongenode gasten zijn niet welkom. Stellig oorspronkelijk bedoeld als reactie op schnorrers. Praajen = oud Romaans bestanddeel. Fr. prier. Lat. precare. Holl. zeemanstaal. Cf. Eng. pray. Tendlau. 895. Ungepraiten gascht setzt men hinter den Auwe (/ kachel). M.J.V. 1899, blz. 142,
81