241. Geiwe. Geiwe liegt uf der gas, jeder ken es ufnemmen.
Hoogmoed ligt op straat; dat kan een ieder oprapen. Geiwe H. ga’awa = hoogmoed. Cf. Teines enz. Inleiding § 4, I, 14. Bernst. 51. Gadlüss ligt auf’n mist, cf. ook Bernst. 133. Kujwod walgert sich auf’n mist, wer es wil nemt umsist.
242. Geiwe. Er schtinkt vor geiwe.
Hij stinkt van hoogmoed. Bet: Hij is buitengewoon verwaand. Subst. Geiweschtinker (verbasterd tot Geiwestinkel). V.P. 121 en Tendlau.
266. gaawestinker. - M.J.V. XXIII blz. 31, nr. 232. Er stinkt vor lauter Ga'we. Zivy 430.
243. Geiwe. Meer geiwe wie mesomme.
Meer praats dan geld.
244. Gekreisch. Gekreisch unter enander as wie uf e polnischer reichstög. Geschreeuw onder elkaar als op een Poolse rijksdag. Vgl. Duits: Polnische Wirtschaft. Diskurs 1797.
245. Geld. Geld geit zu geld.
Geld gaat naar geld. Cf. De duivel sch... altijd op de grootste hoop. Bernstein 61. - M.J.V. 1900 blz. 123.
246. Geld. Geld regiert die weit.
Vgl. Eccl. X: 19. Bernst. 133. Kuwojd ün geld, regiren die Welt.
247. Geld. Betuch sein is geld hobben, wie geit kaanem an.
Rijk zijn is geld hebben, hoe gaat niemand aan. Bet: ongeveer: Geld stinkt niet. Betuch H. batoeach = zeker, betrouwbaar, kredietwaardig. Met betekenisontwikkeling is het westjiddisch naar: rijk. Vgl. de overgangsbetekenis in: V.P. 102. Hij is er betoeg voor = Hij is er goed voor en: ’t is hem betoeg = het is hem toevertrouwd. Zie ook no. 225. Weill 63. solide, dans le sens de riche.
248. Geld. Wer saan geld nit waass zu mallen, kaaft ge'scher un lost es fallen.
Wie zijn geld niet kwijt weet te raken, koopt vaatwerk en laat het
78