Vulgo: Al discuterende drinkt men de wijn op. Het spreekwoord heeft tot achtergrond een verschil in minhag nl. of men bij de kiddusch voor vrijdagavond in de lofzegging over de wijn moet zeggen ha-gêfen (oorspr. Sefardisch) of ha־gófen (Aschkenazisch). Later ook bij de Sefardiem voor het laatste ha־gafen.
Cf. Keter shem tob. Gaguine pag. 111. Cf. ook, Nieuw Isr. Weekblad 12 febr. 1954, artikel van M. J. Perath, noot, waarin verteld wordt, dat de kwestie op Cura9ao zelfs tot geschillen leidde tussen gêfen-families en gafen-families.
235. Gehinnem. In es gehinnem sol er brennen.
In de hel moge hij branden. Gehinnem zie: 877. V.P. 123.
236. Gehot. Gehot is ,n arm man.
Gehad is een arm man. Van iemand die het steeds heeft over de ver-leden tijd, over wat hij gehad heeft. Bet: Wat men gehad heeft, helpt niet meer. Voorbij is voorbij. Vgl. Van Dale onder: hebben.
237. Gein. Gei gleisch, werste reisch.
Ga dadelijk, dan word je rijk. Bet: Stel niet uit tot morgen, wat ge heden doen kunt. V.P. 42. verklaart onjuist: Eerlijk duurt het langst.
238. Gein. GeiVs mir gut, geiVs dir gut.
Gaat ,t mij goed, gaat ,t jou goed. Repliek van een ״schnorr er” (= bedelaar).
239. Gein. Die guten gein; die beisen bleiben.
De goeden gaan, de slechten blijven. Verzuchting bij het stervan van een goed mens. Gein D. gehen. Beis = böse.
240. Gein. Wie gein die bakken, sou gein die hakken.
Zoals de wangen gaan, gaan de hakken. Bet: Wie vlug (resp. langzaam) is in het eten, is ook vlug (langzaam) in andere dingen. Vgl. Rap van handen, rap van tanden. Bakken = D. Backen = wangen. Hakken = D. Hacken = voeten, hielen.
77