de aansteker: ״ Ef scher-jou־tje.” Efscher H. efschar = mogelijk. Jou = (Jiddisch) ja. Lou H. Io = niet. V.P. 119.
177. Eibeg. Der hot eibeg e pis’chen pee.
Die heeft altijd een uitvlucht. Pis'chen pee H. pitchon pee, letterlijk openen van de mond. Klassiek: moed (om te spreken).
In het Jiddisch ontwikkeling naar: aanloop, voorwendsel, uitvlucht. Eibeg D. ewig, met overgang w־b. Zie inleiding § 4, II, 7. V.P. 239.
178. Eicho. Eiche iber eppes sogen.
״Eicho” over iets zeggen. Bet: Over iets klagen. Jeremiades aanheffen. Eicho H. echa = hoe. Met dit woord beginnen de klaagliederen van Jeremia, die op 9 Aw. worden voorgedragen.
,n Eicho-lischt - Een slecht licht. Op 9 Aw. is de synagoge spaarzaam verlicht. Men las bij een kaars. V.P. 116. - Weill 19.
179. Eier = Aier. Frische aier sennen gute aier.
Verse eieren zijn goede eieren. Bet: Stel niet uit tot morgen, wat je heden doen kunt. Schprichw. S.E.V. 6.
180. Einfal. ,n Einfal von 'n alt hous.
Woordspel met ״invallen” = instorten. Een dwaze zotte gedachte, die plotseling opkomt. Tendlau. 90. Das is e Einfall vun ’m alt Haus.
181. Einteimen. Mit aanem einteimen.
Zich met iemand in een doelloze of breedsprakige gedachtenwisseling begeven. Iemand in zijn dwaasheid of domheid stijven. Op iemands dwaasheden ingaan. Teim H. Ta'am = argument, redën. Teimen = argumenteren. Vgl. echter Tendlau. 173. Er kann nit eintaane.' Leidt het af van Thana == leren of van taan: eine Meinung Vorbringen. Weinreich St. blz. 220, geeft טאמען = sich aufführen wie ein תם (Kurl. Jidd.). Vgl. ook de uitdrukking ״E teim hobben”. ,n Ontaam = ,n onsympathiek mens. V.P. 159. en 295. - Nascher. 114. - Weill 330. als Tendlau.
182. Einworf. E scheiner einworf!
Ironisch: 't is me wat moois! Vaak van onverwachte, niet zeer welkome
65