1149. Wissen. As man (es) komt sse wissen, is man schount verschlissen. Var. Ê man es komt ze wissen, is ''man verschlissen.
Eer iemand het komt te weten, is hij al versleten. Verzuchting om te laat gerijpte levenservaring. Schprichw. S.E.V. 8. Eer deer kumt se wissen, is eer verschlissen.
1150. Wissen. Was aaner nit waass, macht aanem nit haass.
Wat iemand niet weet, maakt hem niet heet. Schprichw. S.E.V. 2. -Bernst. 92. Wus ich nit wejss, macht mich nit hejss.
1151. Wissen. Er waass von vorn nit, ob er von hinten lebt.
Hij weet van voren niet, of hij van achteren leeft. Zo dom is hij.
1152. Wochen. Sibben wochen sseilen, drei wochen heilen, vier wochen blosen, das is der ganze sommer.
De zomer, dat is 7 weken teilen, 3 weken wenen, 4 weken blazen. Var. Sseilen, heilen, blosen, das is der ganze sommer.
Bet: De zomer wordt door zoveel ernstige perioden of droevige histo-rische herinneringen onderbroken, dat men er weinig aan heeft. N.B. De genoemde perioden leggen de Jood allerlei beperkingen op. Sseilen = tellen (de ,Omerweken tussen Pesach en Schawuot). Heilen = D. heulen (de 3 treurweken tussen 17 Tammus en 9 Aw). Blosen = D. blazen (het blazen op de schofar gedurende de maand Eloel). - M.J.V. 1906, pag. 68. Den Sommer zählt man fort, trauert man fort, bläst man fort. M.J.V. 1905 p. 107.
1153. Wolvel. Wolvel un schein - das is e chein.
Goedkoop en mooi, dat is het aardige, Wolvel voor D. wohlfeil = goedkoop. Met verzachting van de f. zoals Brievel v. Briefei, Owen v. Ofen.
1154. Woorheit. Nem an die woorheit von der es gesogt hot.
Neem de waarheid aan, van wie haar ook zegt. Letterlijke weergave van het rabbijnse:קבל האמת ממי שאמרו
Menachem Man Amelander in diens Voorrede van Sche’eriet Jisraeel, blz. 2.
254