1155. Wörom. Es is kaan wórom, es hot s’n dórom.
Er is geen ״waarom” of het heeft zijn ״daarom”. Tendlau. 704. Es get kaan worum, es hot sein dorum. - M.J.V. 1899, blz. 134, no. 96. Jeder worim hot sein dorim. - Bernst. 86. Itlicher ״wurum” hot sein ״durum”
- Weill 82. Worum aus dorum.
1156. Wort. E jiddisch wort, e donnerschlag.
Een ״jiddisch” woord, een donderslag. Men was in sommige kringen verontwaardigd over het gebruik van Jiddische woorden.
Dit herinnert aan de strijd, die in de 19e eeuw tegen het eigen idioom, het Jiddisch wordt aangebonden. De strijd droeg vaak een vrij heftig karakter, in sommige kringen was ,t gebruik van Jiddische woorden taboe en werd als onbeschaafd gebrandmerkt.
Tendlau. 674. E wort löschen hakodesch is bei’m e Mamser ben Hanidde! Zie H. Beem, De Joodse Wachter, 46e jaarg. no. 24, p. 5-9 en Inleiding § 2.
1157. Wort. M’n wort is m’n choussem.
Mijn woord is mijn zegel. Choussem H. chotam = zegel. Bernst. A wort is asoj güt, wi a chassimass-jod.
1158. Wort. Viel worte, viel schtoss.
Veel woorden, veel dwaasheid. Vergelijk Eccl. VI, II. V.P. 194. marbeh dewariem, marbeh schtut. M.J.V. 1906 p. 65.
1159. Zettel.Kaan zettel un doch gezoggen.
Geen lot (in de loterij) en toch getrokken. Voordeel trekken uit iets, zonder dat men er recht op heeft. Onverwacht gelukje. Ook ironisch in omgekeerde zin: Ergens geheel buiten staan en toch de onaangename gevolgen ondervinden. Zettel = D. briefje.
Tendlau. 628. Kaan Zettel un doch getroffen.
1160. Zong. Wen s’n zong e brik wer, isch welt nit d’r ibber gein.
Als zijn tong een brug zou zijn, ging ik er niet overheen. Bet: Ik ver-trouw zijn woorden niet. Bernst. 86/12. Sein Wort sol sein a brik, wolt ich mojru( = vrees) gehat, ariberzügehen.
255