1138. Weiteg. Kol Jisro-els weiteg damit aweg (var. Kol Jisro'els newêres) (spr. uit; awek).
Moge het leed van geheel Israel daarmee verdwijnen. (De zonden van geheel Israel). Kol Jisro־eel H. kol. Jisra-eel = geheel Israel. - Aweg D. hinweg v. m.h.d. enwec. Voor weiteg zie het vorige nummer. Tendlau. 469. Mein New^res mit aweg!.
1139. Wejakkel. Wejakkel un pekude gein zusammen nooch der ssude. Wej. en p. gaan tezamen na de (feest)maaltijd (van Poeriem). Gezegd van twee onafscheidelijke vrienden. Gewoonlijk worden beide afde-lingen tezamen op een sjabbat na Poeriem gelezen. Voor wejakkel en pekude, zie ook 1140. - Bernst. 188. Wajakhejl-P’küdej gehen mit ejnander zü der ssüdu. Weill 201.
1140. Wejakkel. Die sennen wejakkel un pekude.
Bet: Het zijn onafscheidelijke vrienden. Vgl. Castor en Pollux. Wajakheil en Pekoedei zijn twee afdelingen uit Exodus, die meestal tezamen op één sjabbat worden gelezen. (Ex. XXXV-XL). V.P. 311. — Tendlau. 571.
1141. Wejiwrech. Sisch wejiwrech machen, wejiwrech gein, wejiwrech jankew.
Bet: zieh (stiekum) uit de voeten maken. Zinspeling op een vers uit de Haftara van Wajeetsee nl. Hosea XII, 13, dat begint met de woorden: Wajiwrach Ja'akow (sedee aram): Jacob vluchtte (naar het veld Aram). Vaak in dezelfde betekenis: sisch haschieweine machen. Haschieweine
H. haschieweinu = laat ons terugkeren. V.P. 153. en 311. - Bernst. 130.
1142. Welt. Die ganze weit is aan uz.
De hele wereld is één voor-de־gek־houderij. D.uzen = voor de gek houden. V.P. 38. Zunz, Gottesdienstliche Vortr. der Juden, p. 442. Oetsen overgegaan in de Ned. volkstaal.
1143. Welt. Die ganze welt is aan mókem.
De hele wereld is één stad. Bet: Het is overal hetzelfde. Bernst. 93. Die ganze Welt is ejn schtudt. - Bernst. 24. Ganz Aschk'nas is ejn
251