I, 72. Majem H. majiem = water. Overgegaan in de Ned. volkstaal. Ook majemen. Sserik D. zurück.
1134. Wehu rachum. E lange wehu rachum.
Gezegd van iets, dat erg lang duurt, iets dat gaat vervelen, bijv. een te lang gerekt gesprek. De zegswijze is ontleend aan de aanvangswoor-den van een gebed, dat op Maandag en Donderdag aan het gewone morgengebed wordt toegevoegd. Lang, in tegenstelling tot hetzelfde vers (Ps. LXXVI1I, 38), waarmede het avondgebed begint.
Wehu rachum = maar Hij, de Barmhartige.
1135. Wei. E weichoochem.
Een betweter, een eigenwijs mens.
Hiervan weichochme(s), schijnwijsheid, eigenwijsheid.
V.P. 312. Tendlau. 56.
Weikourage.
Schijnmoed, uiterlijk vertoon van moed bij innerlijke angst of onze-kerheid; speciaal als er toch geen mogelijkheid o ver blij ft om aan het gevaar te ontkomen, vgl. Nederl. zich groot houden.
Weissimche.
Schijnvreugde; naar het uiterlijk blij, maar met een treurig gemoed; vgl. eveneens Ned. zich groot houden V.D. 312.
Wei in bovengenoemde samenstellingen van D. Weh.
1136. Wein. Maan wein is sou gut wie saan esseg (var. honneg).
Mijn wijn is zo goed, als zijn azijn (honig). Bet: Ik heb dezelfde rechten als hij.
1137. Weiteg. Alle jiddische ״weiteg” von sonteg bis freiteg.
Al het Joodse leed (over U, hen enz.) van zondag tot vrijdag (ver-wensing). Weiteg m.h.d. wêtac = wêtage = Schmerz, Krankheit. Het woord in de vorm Wehtag ook bij Tendlau. 425-430. - Tegenstel-ling. Woltag bij Gl. v. H. en Tendlau. 425 wohltäg. - V.P. 51. Wohl-täger, die ,n goed leventje najaagt.
250