1082. Techooche. Meer kelóles wie in der techooche.
Meer vervloekingen dan in de strafbedreigingen van Leviticus en Deuteronomium. Zie no. 1080. Keloles meervoud v. H. kelala = ver-vloeking, verwensing. V.P. 302. Zoveel vloeken staat niet in de tou-chogoh.
1083. Tefiesse. Er hot e tefiesse ponem. Var. E ponem, ob er ous der tefiesse komt.
Hij heeft een gezicht of hij de uit gevangenis komt. Ponem, zie 93. Tefiesse H. tefiessa = gevangenis (van stam 0תפ = vastgrijpen). In de niet-Joodse wereld is het woord bajes (H. bajit = huis) voor gevangenis doorgedrongen, terwijl de Joden het woord tefiesse hiervoor gebruikten. Bajes in deze zin behoort tot het Bargoens. Voor het met tefiesse verwante tofes, zie Van Dale. In het Jiddisch neutrum, in het Barg, ״de” bajes.
1084. Tefillin. Sou woor, wie ich heint tefillin geleigt hob.
Zo waar, als ik vandaag de gebedsriemen heb aangelegd. Gebruikt als bekr achtigingsf or mule.
Tefillin = gebedsriemen worden bij het morgengebed op het voorhoofd en de linkerarm gebonden. Ze bevatten enkele bijbelteksten, op per-kament geschreven, in leren omhulsel. Het voorschrift berust op Deut. VI, 8, idem XI, 18 enz. Men vergelijke Mattheus XXIII, 5. Heint, zie no. 147. - V.P. 304/305. - Bernst. 119. Wi ich hob heint taliss ün t’filin gelegt.
1085. Tefillin-schreiber. Der is aach kaan tefillin-schreiber.
Hij is ook geen tefillin-schrijver. Bet: Hij is niet bijzonder vroom! Tefillin, zie no 1084. V.P. 304. - Echter: M.J.V. 1900, blz. 130. no. 471. Er schraibt tefillin = er ist blutarm. Zie no. 1047.
1086. Teibel. Der is dem teibel von dem karren geglitscht.
Hij is de duivel van de kar geglipt. Hij is zo glad als een aal.
1087. Teim. E teim von eppes hobben. Var. Ibber eppes teimen.
Ergens over zeuren. Een manie er van hebben. Teim. H. ta’am zie 181 V.P. 295.
241