Vgl. voor de metathesis (alleen van het werkwoord) Raschi op Genesis XVIII, 33, ha-kategor meka/reeg (= de aanklager klaagt aan). Mekatreg is in de vorm ״bekattering” in de volksmond terecht ge-komen. Zie: Moormann en vooral Dr. E. Slijper, ״Bekattering”, De Nieuwe Taalgids (10, 4, 1916, pag. 29-46.)
1067. Ssoucher. Besser ein klaaner ssoucher, as ein grousser knescht. Beter een kleine koopman, dan een grote knecht. Es neie Puriembuch van Schloume Duikelaar 1804 (Poeriemkranten). Zie 1046 ssoucher.
1068. Ssoucher. Der erste ssoucher is immer der beste.
De eerste koper is altijd de beste. Aarzel niet met de beslissing; verkoop terstond. Gl. v. H. 100. Darum ist ale zeit der erste soucher der beste.
1069. Ssoucher. E jiddische ssoucher un e taatsche temeie findt man in der ganzen weit.
Bet: Overal in de wereld vindt men wel een Joodse koopman of een Duitse hoer. Taatsch = Duits. Temeie, zie no. 32.
1070. Ssoucher. Ssof ssoucher le-pleite, ssof gannew lie-telieje.
Het einde van de koopman ״naar het faillissement'״, het einde van de dief ״naar de galg״״. Le-pleite = naar de pleite. H. liefleeta. Pleite H. peleeta, oorspronkelijk redding, ontsnapping, vlucht, rest. In het Jiddisch, secundair en ironisch: faillissement. Bij Gl. v. H. reeds in deze betekenis.
Pleite is overgegaan in de Nederl. volkstaal, pleite gaan - er van door gaan, ook bankroet gaan, zie verder Van Dale.
Telieje H. telieja = galg (lie״tlieja naar de galg). Stoett 1759 geeft de volgende verbasterde vorm: zoof zoucher le Pleite, zoo gannew lithlio (en verwijst naar Kluge Rotw. 304, 352, 385, Rabben: Gaunerspr. 102). Bernst. 186. souf odom lemiesso, souf beheimo lieschechieto. souf soucher liefleito, souf gannow liesliejo. en verklaart: niemand entgeht seinem Schicksal. De eerste regel van Bernstein betekent: het einde van de mens is de dood, het einde van het vee is de slachtbank. Het is letterlijk ontleend aan Berachot 17a. De tweede regel ==( ons spreekwoord) is waarschijnlijk een humoristische ״Weiterbildung״״. V.P. 268. Ssof zie 614.
238