1049. Sseichel. Sseichel is meer wie mesomme.
Verstand is meer dan geld. Vgl. Prov. III, 13-16. Sseichel zie 359.
1050. Sseichel. Sseichel is e schiepsak.
Verstand is een zak, die men achter zich aansleept, d.w.z. men heeft niet altijd op tijd het juiste antwoord bij de hand. Vgl. Esprit d'escalier. V.P. 141. De chochmo is 'n schlepzak. - Schprichw. S.E.V., pag. 4. De seichel is a schlepzekken un kumt se spoot. - Bernst. 278. Der ssejchel is a kricher.
1051. Sseichel. Fier sou’n sseichel hot man kaan kop neiteg.
Voor zulk een verstand heeft men geen hoofd nodig. Gezegd van iemand, die met groot aplomb een waarheid als een koe verkondigt. Schprichw. S.E.V. 17.
1052. Ssenken. Sisch gut ssenken.
Zich goed twisten. Zo lang verwijten uitwisselen, tot alles af gereageerd is en men ten slotte weer vrede sluit. Ssenken, zie no. 854.
1053. Ssereife. In der ssereife, ous der ssereife.
In de brand, uit de brand. Spottend op iemand, die door brand uit de financiële moeilijkheden is geraakt; met zinspeling op de uitdrukking ״in der ssereife sitzen” = in moeilijkheden zitten. Vgl. uit de brand helpen. Verwante Ned. uitdrukking: hij is uit de brand. Ssereife, H. serefa = brand. Vgl. Bernst. 290. Nuch a ss’rejfu wert men reich. Vgl. ook Stoett.
1054. Ssimche. Bei die grousste ssimche is man nit doubei.
Bij de grootste vreugde (nl. als men weg is) is men niet aanwezig. Gezegde op iemand van wie men blij is dat hij ophoepelt. Zie 563.
1055. Ssimche. Die ssimche verschtêren.
De vreugde bederven. Vgl. Met klompen in het gelag komen. Verschteren = D. verstoren (in het Duits verouderd). Nu ook in de Ned. volkstaal.
235