Tendlau. 800. Spar״ und spar - Kommt der Sar - Und nimmt es gar. -Tendlau. interpreteert ״Sar” foutief. - Bernst. 287. Schpur, schpur! kümt der rüach, ün nemt zü gur.
1039. Ssambatjen. Ssambatjen rüt noch aanmool.
De Sambatjon rust tenminste nog ééns. Gezegd van een rusteloos iemand; iemand, die altijd zijn zaken najaagt.
Gaat terug op oude Joodse sage over de sjabbatrivier, die de gehele week zo onstuimig is, dat niemand hem kan oversteken, doch op sjab-bat rustig voortstroomt. Daarachter wonen volgens de sage de ver-loren 10 stammen. Men vergelijke Sanhedrin 65b en Raschi ter plaatse. Verder Ber. Rabba 11, gesprek tussen R. Akiba en Tyrannus Rufus. Een dergelijk verhaal brengt Flavius Josephus in zijn Bellum Judaicum VII, 5. Ook Talm. Jeruschalmi Sanhedrin X, 5. Zie bijv. ook She'erit Jisrael cap. I, van M. M. Amelander (waar verwezen wordt naar Manasse ben Israel, ״Mikwe Jisraer׳) of wel Ma’assee Niessiem van M. Edrehi Amsterdam, 1818 e.d.
De sage wordt ook vermeld in de vrijdagavond-zemierot: Ma j af iet en Jom schabbat ködesch hu.
1040. Ssambatjen. Hinter Ssambatjen.
Achter Sambatjon. Bet: Heel ver weg. ,n Onbekend land. Ssambarjen, zie no. 1039. V.P. 267.
1041. Ssappelen. Sisch de ssappel machen.
a. Hard werken, ploeteren, b. Zich erg druk over iets maken. Ssappelen m.h.d. zabeln, zappeln. D. zappeln.
Het jidd. ssappelen heeft in tegenstelling tot het moderne Duitse zappeln de betekenis van het middelhoogduitse woord bewaard = ruhelos tätig sein. Sappelen overgegaan in de Ned. volkstaal, zich te sappel maken, sappelaar. V.A. II, pag. 255.
1042. Ssargenes. E ssargenes hot kaan taschen.
Een doodskleed heeft geen zakken. Bet: Men kan bij de dood niets meenemen. Het Fries kent een overeenkomstig spreekwoord ״op it lêste kleid sitte gjin büsen”.
Ssargenes = oorspronkelijk feestkleed (zie bijv. A. Berliner, pag. 32f).
232