1020. Schwarz. Wer schwarz is geboren, an dem is ’s waschen verloren. Wie zwart is geboren, aan die is het wassen verloren. Bet: vgl. Ned. Dat is de Moriaan gewassen, Lat. Aethiopem dealbare. Ongeveer: Dat is moeite voor niets. Vgl. Jer. XIII, 23. Kan dan een Ethiopiër zijn huid veranderen?
1021. Schwebbel. Schwebbel un pesch brent.
Zwavel en pek brandt. Het met elkaar omgaan van jonge mannen en vrouwen brengt risico mee (in sexueel opzicht). Schwebbel m.h.d. swebel-swevel = zwavel. Pesch D. Pech - pek.
1022. Schweer. E schweer uf e metaarbret.
Een schoonvader op een reinigingsblad. Bet: Er is een erfenis te wachten. Schweer - D. Schwäher = schoonvader. Metaarbret = blad waarop een lijk gelegd wordt om het te wassen. Metaar van metaheir (sein) = reinigen. Zo ook: metaarhuis. Vgl. teire, 147. - V.A. VII, 368, no. 49.
1023. Schweigen. Schweigen un denken, toot kaanem nit krenken. Zwijgen en denken, krenkt niemand, Schprichw. S.E.V., pag. 31. Wellicht aan het Nederl. ontleend.
1024. Schwerenout. Man ken im die schwerenout von es ponem lesen. Men kan hem de ellende van het gezicht aflezen. Nout = D. Not. V.P. 49. Schwere naut, schwerenauter.
1025. 'Schwiejenieje. Er singt schwiejenieje. var. Der ken schwie־ jenieje singen.
Verbasterd tot: Er sitzt in der schwie-enieje. Bet. Hij is doodarm, hij is in moeilijke omstandigheden. Schwie-enieje H. Schewia-’ania = Gevangene, arme! Met toespeling op de beginwoorden van een klaag-zang (kina) op de vastendag van 9 Ab.
Vgl. I. Davidson, Thesaurus of Mediaeval Hebrew Poetry, III, 415, waar twee liturgische gedichten worden vermeld, die met de woorden Schewija Anija aanvangen (272 en 274). Vbl. ook Zunz. Literaturge-schichte 411 en 522. De auteurs van beide gedichten zijn: R. Schelomo Gabirol en Schimon ben Tsemach Duran.
229