manen met de formule: schesieko jofo biesj,as kerieas hatouro = gepaste stilte gedurende de lezing van de Tora.
Schtieke H. schetieka = zwijgen.
Jofe H. jafee = mooi, goed.
1004. Schtiel. Die broucht kaan schtiel meer ouszubeissen.
Die hoeft geen steel meer uit te bijten. Bet: Zij is zo oud, dat zij geen zwangerschap meer heeft te verwachten. Gezegd als iemand een vrouw op leeftijd huwt. Het gaat hier om een (in Nederland zelfs thans nog niet uitgestorven) gewoonte, de steel van de Etrog (zie 577) af te bijten, ten einde een mannelijk kind of een gemakkelijke bevalling, te krijgen. Ook wel alleen maar bijten in een Etrog.
Schtiel D. Stiel = steel. Zie Ts. Ur. op Gen. III, 6, waar ook een gebed vermeld is, dat de vrouw hierbij behoorde te zeggen. Zeer interessant ook Wajiekra Raba 37, waar een verhaal voorkomt over iemand, die in een vreemd land komt en etrogiem bij zich heeft. De koning van dit land heeft een ingewandsziekte en droomt: ״Men zei tot hem in een droom: Uw geneesmiddel is, dat gij eet van die etrogiem, waarmee de Joden op Hoschana bidden. Dan zult gij genezen”. Het ligt voor de hand hieruit te concluderen, dat Etrogiem als geneesmiddel in het algemeen golden en dat bovengemeld gebruik, daarvan een relict is. Men zie verder een belangwekkend opstel over dit onderwerp in Jeda Am, Tel Awiw, van Jontow Lunski. Het wordt hier als Minhag Aschke-naz (gebruik der Duitse Joden) beschouwd. Hij verhaalt, dat Luise, dochter van Karei, Hertog van Mecklemburg Streliz, die alleen dochters had, in schul op Hoscha’na Rabba een etrog-steel zou hebben afgebeten en toen bevallen zou zijn van Frederik Wilhelm IV, Koning v. Pruisen, met verwijzing naar: Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens. Band IV, kolom 815.
Ketub 61a. verhaalt omtrent de dochter van de Perz. koning Sapor, dat haar moeder etrogiem at gedurende de zwangerschap, waardoor haar dochter een heerlijke geur verspreidde. - V.A. IV, no. 34, pag. 540 vermeldt J. Gompers, deze gewoonte eveneens in zijn artikel: Joodse Folklore. - Tendlau. 568.
1005. Schtiel. Jemand von schtiel und benk reiden.
Iemand van stoelen en banken praten. Vgl. Iemand van de sokken praten. Schtiel D. Stühle = stoelen. Benk D. Bänke.
226