Steins geklagt (met verwijzing naar Festschrift Noldeke 422). Weill, pag. 80. Am Stan’s gesagt (quand on parle de maladie ou malheur). Zij zoeken allen verband met Duits ״ Stein” en houden het voor een afweerformule als bijv. ״bar minon” e.d. Waarschijnlijk is dit niet juist. De uitdrukking luidt in het Oostjidd. Mieschtêns gesogt, umschtaans gesogt. Vgl. J. Gerzon, Die jüd. deutsche Sprache, pag. 128 mistêns gesogt, imstêns gesogt.
In het oudere Nederl. Jidd. heeft de uitdrukking bovendien een ironisch karakter, vgl. bijv. Schprichw. S.E.V. pag. 4: ich mus staans gezaakt von dir in kimpet. Hier ongeveer: God beter het, helaas. - Bernst. 43. Um־schtejns gesugt a bussor w'dom. - Etymologie onzeker.
999. Schtannes. Schtannes machen.
Schtannes uf aanem hobben. Schtannes kriegen. Bet: argwaan op-wekken, argwaan krijgen (hebben). Schtannes van ,Eschtounous = H. ,eschtonot = gedachten. V.P. 289.
1000. Schtat. Er moss immer die schtat neben dem chäsen hobben.
Hij moet altijd de plaats naast de chäsen hebben. Bet: Hij moet altijd nummer één zijn, het beste hebben. Schtat - ook wel: schtot = plaats. D. Statt. Chäsen, vgl. no. 99. - Tendlau. 223. Er hot e Staat nebe’m Chassen!
1001. Schtein. Schtei uf un gei sitzen.
Sta op en ga zitten. Opstaan oorspronkelijk als eerbetoon. Thans ironisch en minachtend. Opstaan hier dus gebruikt als eerbewijs, dat niet verdiend is. V.P. 50. - V.A. II, 17, 267.
1002. Schtieber. Sibben schtieber e dik fresch.
Zeven stuivers om je dik te eten. Gezegd op klanten, die op alles af dingen, of alleen het goedkoopste nemen. Speciale slagersterm.
JL003. Schtieke Jofe.
Gepaste stilte.
Achtergrond van deze zegswijze is het in vele gemeenten geldende ge-bruik om voor het begin van de Tora-lezing tot aandacht aan te
225