992. Schoute. Is er e schonte, is er loulem e grousser.
Ironisch. Is hij een dwaas, tenminste is hij een grote dwaas. Hij heeft het ver gebracht, althans in de dwaasheid. Schoute H. schotee == dwaas, gek. Vgl. M.J.V. 1899, blz. 43, no. 34. Besser e ganzer Narr, als e halber.
993. Schpieling. E jiddische schpieling is e gojsche ssude.
Een Joodse spoeling (hier etensresten) is een niet-Joodse maaltijd. Joden hechten veel waarde aan een behoorlijke maaltijd, zijn te dien aanzien veeleisender en kieskeuriger dan anderen. Voor Ssude H. se’uda, vgl. no. 695.
994. Schpootobends. Schpootobends wert ,s plesiereg.
,s Avonds laat wordt het plezierig. Voor bet. vgl. Hoe later op de avond, hoe schoner volk. Ironisch van iemand, die op oudere leeftijd in het huwelijk treedt. Schpoot m.h.d. spat nevenvorm v. spät. Plesierig D. pläsierlich, ergötzlich. V.P. 37.
995. Schporen. Was man schpoort is gewonnen.
Wat men spaart, is verdiend. Kroniek Prins 1787/8, 12 october 1787. in Isr. Letterbode 1877/78.
996. Schtaan. Wer mir mit schtaaner gooit, gooi isch mit brout.
Wie mij met stenen gooit, gooi ik met brood. Ongeveer: Ik kan wel een schop van een ezel verdragen. Schtaaner D. Steine. Brout D. Brot. Gooien uit het Ned. dan wel uit het n.d.d. gojen. = D. schleudern. Schprichworte S.E.V. 15. M.J.V. 1899 p. 43.
997. Schtaan. Ous e schtaan geschprongen.
Uit een steen gesprongen.
Bet: Volkomen onverwachts.
Schtaan D. Stein.
998. Schtaans gesogt.
V.P. 50 geeft staans gesagt (dem Steine sei’s gesagt) met de verklaring: gij zult het u, hoop ik niet aantrekken, het moge u niet ״aangaan”. Tendlau. 641. geeft: Dem Staan sei es geklagt. - J.f.J.V. 1923, pag. 9.
224