douleurs articulaux etc., ces mouvements accompagnés, d'oraisons bibliques appropriées. M.J.V. 1907 p. 6.
986. Schouchet. Aromlaafen wie e schouchet in de nein teeg.
Rondlopen als een slachter in de negen dagen, d.w.z. niets te doen hebben. Schouchet H. schocheet = ritueel slachter. Nein teeg - negen dagen (van 1-9 Ab), tijdens welke men zich van vlees behoort te onthouden. Teeg = Tage. Oude umgelautete Opperduitse vorm. Philo 163. Er geht herum wie a Schouchet in die neunTage.-Bernst. 20.
987. Schouchet. Meer schochtem wie hiener.
Meer slachters dan kippen. Bet: Meer arbeiders dan arbeid. Iron.: Meer bestuurderen dan leden. Schochtem H. schochtiem mv. van schochet = slachter. Terminus technicus voor degene, die de rituele slacht-methode toepast. - Tendlau. 81. Mehr schochtim als Hühner. - Philo 163. Es sind mehr schochtiem da als Hühner. - J. J.V. 1923, blz. 366. -Weill 951.
988. Schoufer. Wen aaner de schoufer an de mond hot, bloost er weiter.
Wanneer iemand de bazuin aan de mond heeft, blaast hij verder. Bet: Wanneer men eenmaal met iets begonnen is, houdt men er vaak niet makkelijk mee op, wil men vaak niet meer ophouden. Schoufer H. schofar = bazuin. Bloost D. bläst.
989. Schoufet. Das meeg man de schoufet vorbeitrogen. Var. Das meeg man de schoufet*s tier vorbeitrogen.
Lett. Dat mag men de deur van de rechter voorbij dragen. Dat is onverdacht. Schoufet H. schofeet = rechter. Hier met gedachte aan ״schout”. Meeg van D. mögen = dürfen, erlaubt sein.
990. Schoumer. Got sol schoumer umatsel sein.
God moge ons behoeden en redden. Schoumer ־ H. schomer = be-hoeder, opzichter, wachter. Matsel - matsiel == redder. Vgl. ook de expressie: Hascheim jischmereine = God beware ons. V.P. 277.
991. Schoute. E schoute hot aach woul mool rescht.
Een dwaas heeft ook wei eens gelijk.
223