980. Schoof. E schoof is e schtroof.
Een schaap is een straf (zinspeling op ״strop״). Het slachten van schapen is (was) een riskant bedrijf. Uit de slagerswereld.
981. Schoof. Gesseilte schoof kennen aach gegannewt werren (gezeilte). Getelde schapen kunnen ook gestolen worden. Bet: Ondanks alle voorzorgen, kan men toch niet altijd verhinderen, dat men bestolen wordt. M.J.V. 1921/11.
982. Schoof. Scheert man die schoof, ssittern die lemmer.
Als men de schapen scheert, sidderen de lammeren. Het leed van een ander wekt angstgevoelens, te sterker naar mate het dichter bij is, of de verwantschap meer gevoeld wordt. Ssittern — D. zittern. Schprich-worte S.E.V. 4 (sittere). - Bernst. 287. As men schert di schepsen, frejen sich di zigen. Het tegenovergestelde Bernst. 262. M.J.V. 1921/11.
983. Schop. Der hot de schop mitgebrocht.
Hij heeft de schop meegebracht. Schop nl. om te begraven. Veelal gezegd van ambtenaren, die niet voldeden en ten aanzien waarvan men de vrees koesterde, ze nooit te zullen kwijtraken.
984. Schoppensibbenschen. Der lost sich nit fier schoppensibbenschen gebrouchen.
Die laat zich niet voor schoppenzeventje gebruiken. Hij laat niet met zich spotten. Berust op een of ander kaartspel. V.P. 37. - Tendlau. 233. Der gilt schippe’-Siebenche. - Weill pag. 79. er gilt souviel wie a Schüppe-Siebele.
985. Schormen. E kind schormen.
Als een kind ״beschrieen- was, en het ״boze oog״ invloed had gekregen, ging men naar een kabbalist, die de boze invloed moest elimineren. Men nam dan een doek of scherm mee, waarmee de man in casu het kind ״afschorremde״ Vgl. gezondbidder.
Vgl. J. Gomperts, Ma’asiejoth, Maastricht 1930, pag. 141, Afschorremen Weill pag. 79, leidt het af van Frans charmer == betoveren. ״Faire des passes ou des mouvements avec les mains en vue de guérir entorses,
222