brojt fait mit der püter arub (oder: auf dem punim) is a ssimon as di kalu is hüngerig.
L. Börne gebruikt de uitdrukking: Minister fallen wie Butterbrote, gewöhnlich auf die gute Seite (geciteerd naar Buchmann, Geflügelte Worte).
Bij een slemiel valt de boterham op de gesmeerde kant. (aldus Jan Mens in: Een haven waakt (Griet Manshande), waarin herhaaldelijk oorspronkelijk Jidd. zegswijzen voorkomen, blijkbaar overgegaan in de Amsterdamse volkstaal.
959. Schlemiel. Das is e schlemiel von sonteg.
Dat is een ongeluksvogel van zondag: Bet: Dat is een ongeluksvogel, iemand wie alles mislukt, iemand die overal te dom of onhandig voor is. Tendlau. 625. Das is e schlemiel vun Sunntik. - Tendlau brengt de bronnen. - Schabb. 156a. Wie op Zondag geboren werd, hem geschiedt alles geheel ten goede of alles geheel ten kwade, want op zondag werd licht en duisternis geschapen. - Weill 976.
960. Schlemiel. Jedes schtik schlemiel hot s’n schtik schlemäsel.
Iedere ongeluksvogel heeft zijn speciale ongeluk. Schtik D. Stück.
961. Schleppen. Schiep misch nit, isch gei gern. Var. schiep misch nit, Jókef, isch____
Sleep me niet, ik ga graag. Var. Sleep me niet, Jacob, enz. Gezegd van iemand, die voor de schijn tegenstribbelt. Beeldspraak ontleend aan de bruid. Vgl. Tendlau t.a.p. Hierachter ligt waarschijnlijk een folkloris-tisch element (״aus Ziererei schleppen”). Ook in Nederland was een dergelijk gebruik inheems. In sommige kehillot voerde men de bruid, haar enigszins meetrekkend, onder de chupa. Cf. onterfieren, 427. Tendlau. 305. Schlepp mich - ich thu's gern. - Bernst. 59. Schiep mich-ich geh gern. - J.f.j.V. 1923, pag. 367/323. M.J.V. 1910 p. 132. Zivy 29.
962. Schiofen. Wen isch nit schloof, ruen maan knochen. Var. glieder. Als ik niet slaap rusten (althans) mijn beenderen. Var. ledematen. Vgl. Bernstein 280. In dem schluf geht ales aweg.
963. Schmadden. Sisch nit schmadden lösen.
Zich niet laten inpalmen. Bet: Zich niet door vleierij of geschenken
218