953. Schlatte. E ganze schlatte.
Een hele troep, massa, hoeveelheid (onsamenhangend). Schlatte etym. onzeker. Zunz Gottesd. Vorträge blz. 438. verklaart Schlatte uit Deutsch: Schlote. Zie Bernst Glossar pag. 63 en M.J.V. 1923/364.
S. Rappoport verklaart het s.v. Schlatten-schammes uit schlatten (Jiddische Form van Salat) Jüd. Lexicon V, 222.
Waarschijnlijk op grond daarvan verklaart R. J. Spitz in M.G. J.N. III, p. 80. Sjlatte uit salade (voor een stukgelezen boek, dat geheel uit elkaar hangt). Deze verklaring is niet bevredigend. Eerder zou aan samenhang met het n.h.d. schlotterig, schlottern of aan het Ned. slordig te denken zijn (m.h.d. sloten), dan wel aan m.h.d. slöte.
954. Schlemäsel. Schlemasel is aach e mien masel.
Ongeluk is ook een soort geluk. Woordspeling, die de indruk wekt of schlem. slechts een variant van masel en niet het tegendeel zou zijn. Mien H. mien = soort. Schlemäsel, zie 598. Schprichw. S.E.V. 9.
In de vorm slamassel, slemassel in de Nederl. volkstaal overgegaan.
955. Schlemäsel. Schlemasel wen de komst, komt allaaneg. Masel wen de komst, nem chawrusse mit.
Ongeluk, als je komt, kom alleen. Geluk als je komt, neem gezel-schap mee.
956. Schlemäsel. ,n Arm man hot e grouss schlemasel.
,n Arm man heeft een groot ongeluk. Bet: Arm zijn is een ongeluk. Schlemasel = schlim-masel (zie 598). Schprichw. S.E.V. 2, aan arm man hot aan grous schlimmazzel. - Poeriemkranten. Vornahmen und Beinahmen. (21).
957. Schlemiel. Aanmool schlemiel, eibeg schlemiel.
Eens een ongeluksvogel, eeuwig ,n ongeluksvogel. Schlemiel, zie 598. Eibeg, 177.
958. Schlemiel. Bei e schlemiel fait es brout immer ufs ponem.
Bij een ongeluksvogel valt het brood altijd op het gezicht (sc. op de met boter besmeerde zijde). Gezegd van iemand, wie alles tegenloopt. Tendlau. 788. Butterbrod fallt uf’s Ponim. - Vgl. Bernst. 40. As dus
217