946. Schissel. Ess von e schissei, wo niks uf is.
Eet van een schotel waar niets op is. Bet: Wat niet kan, kan niet. Schissel D. Schüssel. Schprichw. S.E.V. 8.
947. Schitten. Wo nit is, wert nit geschit.
Waar niet is, wordt niet gemorst. Vgl. Wie niet werkt, maakt geen fouten. Geschit D. geschüttet van schütten. Schprichw. S.E.V. 22.
948. Schiwwe. E schiwwe uf ,n saaltje.
Een treurige aanleiding haast tot een feest maken; bijv. door een uitgebreid onthaal van hen, die aan de begrafenis deelnemen. Schiwwe, zie 949. Saaltje uit het Ned.
949. Schiwwe. Kaan schiwwe, kaan schelouschem.
Bet: Het een- noch het ander. Schiwwe H. schiw’a — zeven. De zeven treurdagen na het overlijden van een bloedverwant. Schelouschem H. scheloschiem = dertig. De dertig rouwdagen. Voor de zeven treurdagen gelden veel strengere bepalingen dan voor de ״dertig” dagen.
950. Schiwwerlew. Schwiwwerlew hobben.
Verdriet hebben. Schiwwerlew H. schewer lew = gebroken zijn van hart. H. שברון לב. V.P. 284. Shibur leib. - Tendlau. 634. Schiwer-lew. Zivy 333.
951. Schköremsoger. E schkóremsoger moss e gut sikóren hobben.
Een leugenaar moet een goed geheugen hebben. Ironisch als iemand zich in zijn eigen leugens verstrikt, doordat hij zich zijn vroegere leugens niet herinnert. Schkorem, schekoriem H. schekariem = leugens (enkelv. scheker). Sikoren H. sikaron = herinnering.
V.P. 283. ,n Sjekorimzager moet ,n goed zikoren hebben. - Tendlau.
956. E schakren muss a Baal-Sikkoren sein. - Bernst. 140. A ligner müs hoben a güten sikurojn. - Weill 1001. Mendacem memorem esse oportet (Quintilianus).
952. Schlag. Das is e schlag uf s’n geiwe (var. patsch).
Dat is een slag op zijn hoogmoed. Dat is vernederend voor hem. Geiwe, zie 241. V.P. 121. Dat is een slag op zijn gaïwe.
216