928. Schem. Der schem is mechujew.
De naam deugt niet, is verdacht. Mechujew Part. pass. van H. chujaw = beschuldigd worden. V.A. II, 13, p. 208.
929. Schem. Der schem is nit mekujem.
De naam bewijst niets. Bet: De naam komt niet altijd overeen met het wezen. Vgl. What’s in a name. Mekoejem part. p. van H. קים = bevestigen. Schem H. schem = naam.
Schprichw. S.E.V. 15: ״Die naam woor nit mekoejem. Goetje woor schlecht, Schijne woor mies, un honnik zou zouer wie essik.” Cf. Tendlau. 958. Alle Gütelcher sen bös, alle Schöncher mies. Gietelche (van gut) en Scheine (van schön) zijn Jidd. vrouwennamen. Vgl. Bernst. 275.
930. Schem. De schem ousnemmen.
De naam uitnemen.
Gods naam ijdel uitspreken.
Schem H. schem = naam. De schem == Gods naam. Ausnemmen D. ausnehmen.
931. Schem. Wen schem jisbórech aanem schtrófen wel, nemt er im s’n sseichel.
Als God iemand straffen wil, beneemt hij hem z’n verstand. Sseichel H. ssechel = verstand. Vgl. Quos Deos perdere vult, dementat prius. Schem j., zie 750.
932. Schem jisbórech. Wen schem jisbórech aanem schtrófen wel, schikt er in uf de solder um worzeln zu groben. Ook: schemborchu.
Als God iemand straffen wil, stuurt Hij hem naar de zolder om wortels te graven, d.w.z. legt Hij hem een taak op, die onvervulbaar is. Schem jisbórech, zie 750. Schemborchu = haschem baruch hu = de Naam, Hij zij geprezen. Solder m.h.d. soller, solre = D. Dachboden. Hier waarschijnlijk uit het Nederl. of n.d.d.
933. Schema. Schema benie!
Hoor mijn zoon!
Uitroep van verbazing. Vgl. lieve hemel!
213