einander (met anekd. uit Oostenrijkse successie-oorlog). - Weill pag. 67. Anderle-banderle. - Bernst. 261. Schander-bander, a kapuru far ejnander. - Vgl. idem Glossar 63: ״Schander-Bander verdorben von ״Gendarm”, ״Pandur” (Die Panduren pflegten früher in Ungarn Polizeidienste zu versehen). In Oesterreich gebracht zur Bezeichnung einer schlimmen Menschensorte einer ״Bande”.
914. Schas. Wie grouss is daan schas?
Hoe groot is je ״schas?” Hoe groot is je kennis dan helemaal? Gezegd als iemand zich tegenover een deskundige beroemt op zijn in wezen geringe kennis. Schass (ש״ס) = abbreviatuur van Schischa Sedariem (= zes afdelingen van de Mischna). De term ״Schas” wordt in tech-nischen zin eigenlijk slechts gebruikt om de Talmud aan te duiden.
915. Schechten (ook scheschten). Mir hobben alle geschochten un ge fochten.
Bet: We zijn allemaal arm begonnen. ״Mir” door regressieve assimilatie ontstaan uit ״wir” in verbindingen als: gehen wir, kommen wir. Fechten = bedelend rondzwerven. Geschochten = eigenlijk == ge-slacht van Jidd. schechten, vgl. schouchet. Opvallend is de Ablaut naast geschescht.
Isr. Letterbode 5e jaarg. p. 40. kroniek: das er hot verkaaft boossor neweilo oetereifo, was gohr nit is geschochten (publicatie van 1 sept. 1810). In de vorm gesjochten overgegaan in de Ned. volkstaal met de betekenis ״arm” bijv. gesjochte jongens enz., zie verder Van Dale.
916. Scheechejone. Der ken scheechejone machen.
Die kan scheechejone maken. Bet: Dat over komt hem voor de eerste keer in zijn leven; speciaal van iets prettigs.
Sjeechejone is het eerste woord van een lofzegging, waarin men dankt voor het mogen beleven of genieten van iets nieuws, bijv. feestdagen, vruchten van de nieuwe oogst enz. Scheechejone machen = bedoelde lofzegging uitspreken. Scheechejone van scheeheechejonu H. schee-heechejanu = Die ons in het leven heeft gehouden.
V.P. 279. - Tendlau 592 - vgl. Bernst. 264.
917. Scheechejone. Der (die) hot aach schount scheechejone gemacht. Die heeft ook al scheechejone gemaakt. Spottend gebruikt van
210