904. Schabbes. Wen schabbes nachme uf sonteg fait.
Als sjabbat-nachme op zondag valt. D.w.z. nooit.
Schabbes Nachme - de sjabbat na 9 Ab, genaamd naar het beginwoord van het 40e hoofdstuk van Jesaja, dat die dag wordt voorgelezen. Nachme H. nachamu, nachamu’amie = troost, troost mijn volk, Jesaja 40 : 1). V.P. 274. - Tendlau. 69. Wenn Schabbes-Nachme uf Mitwoch fällt. Vgl. 136 en 885.
905. Schabbesherzschen. Das geit im an s’n schabbes herz sehen.
Dat gaat hem aan zijn sjabbeshartje. Dat begroot hem; dat vindt hij erg onprettig. V.P. 274.
906. Schabbes. S’n Schabbes-perouches. vor hangen Zijn sjabbat-voorhangsel voorhangen.
Bet: Zich van zijn vriendelijke kant laten kennen, speciaal van een onaangenaam mens, die een vriendelijk gezicht zet.
Perouches, H. parochet = voorhangsel (voor de kast met de wetsrollen).
907. Schadjen. Ibber de schadjen sol man es schiddesch meiden.
Om de huwelijksmakelaar zou men van het huwelijk af zien. Bet: Degeen die aanbiedt, maakt mij huiverig voor het aanbod.
Schadjen H. schadchan = huwelijksmakelaar. Schiddesch H. schid-duch = huwelijk. Schidduchien, eig. (een vrouw) verzoeken om toe-stemming tot het huwelijk te geven. V.P. 275. Um de schadchen soll mer de schidduch meiden. - M.J.V. 1899, blz. 139, no. 187. Am Schadchen erkent man dem schidduch. - Bernst. 274/11. Der schiduch seht aus wi der schadchon.
908. Schalet. Die schalet wil nit ritschen.
De sjalet wil niet (uit de pot) glijden. Gezegd op bezoeker, die niet weet van weggaan. Ritschen van rütschen, m.h.d. nevenvorm van D. rut-sehen = glijden. Vgl Hij schalet, is e schalet. Hij weet niet van weggaan; hij is langzaam, treuzelt.
V.P. 59. De shalet ritscht. Voor schalet, zie verder no. 909.
909. Schalet, a) E schiddesch is schalet gesetzt, b) Algemener: Das is schalet gesetzt.
Een huwelijk is sjalet gezet. Dat is sjalet gezet. Bet: Een huwelijk is
208