woch D. rumpeln = rommelen. Chomets H. chameets = gezuurd, gedesemd (brood). Batteln Hebr. stam met Duits-Nederl. uitgang = wegruimen. Vaak Rompelóbend, de avond na het Paasfeest. V.P. 33. Rompelavond, uitgaande Paasch, wanneer het Paasgerei wordt weg-geruimd. — Tendlau. 582. Rumpel zu nacht = avond na het Paasfeest.
- Weill pag. 78. Rumple, Rumpelnacht, la nuit du huitiéme jour de Päque.
875. Roojen. Rooien mol. Röjen e mol
Bet: kijk eens. Gezegde om verbazing of spot uit te drukken. Van H. stam ראה = zien. Hiervan: röjenen. Roojen -rojen, waarschijnlijk verbasterd uit רואין — men zie(t).
Amsterd. Purimkrant fon Awrohom Auffolger von Schloume Duikelaar (no. 15) ״Rojen es jeled”.
Ook vermeld als ״rojne” in art. v. Florence Guggenheim-Grünberg: in Language of the Swiss Jews of Endingen and Lengnau, pag. 62, in The field of Yiddish. - Weill 871 royenen.
876. Roosche. Der roosche git kaan eitse, wen es nit saan touwe is.
De booswicht geeft geen raad, als het niet zijn voordeel is.
Bet: Een slecht mens denkt bij zijn adviezen slechts aan zijn eigen belang.
Roosche H. rascha’ = slecht mens. Versterkt, roosche amolek == booswicht Amalek, = een bijzonder slecht mens, met zinspeling op Amalek, de erfvijand van Israel; ook: antisemiet; vgl. Rischesponem no. 871. Van roosche het femininum: reschaante met n. infix, zie Inl. § 4, II, 3. Eitse zie no. 188 Touwe H. towa = (iets) goeds.
Git: m.h.d. voor D. gibt. V.P. 116, Tendlau. 912.
877. Roosche. Der roosche in gehinnem hot loulem an schabbes ru.
De booswicht in de hel heeft tenminste op sjabbat rust. Volksgeloof, dat ook de rescho’em ( — booswichten) in de hel op sjabbat rust hebben. Op deze opvatting berust het gebruik, het einde van de sjabbat even te verschuiven, omdat de booswichten immers direct ״na nacht” weer naar de hel terug moeten, opdat ze niet te kort komen. Bronnen bij Tendlau, citeert o.a. de Zohar op Noach 194, Jalkut Ber. 16, Jalkut Rubeni 167. Gehinnem - Gê-hinnom - oorspronkelijk aan Molochdienst
202