heeft, is winst. - Tendlau. 752. Es hot jeder sein Cheelek, was aam nit zukommt, is Reewech. M.J.V. 1905 p. 107. Zivy 81.
863. Resch barjoune. Das is e resch barjoune.
Dat is een woesteling, een druktemaker. Resch barjoune. Aram. resch barjone = Hoofd der woestelingen. Cf. Gitin 56a. waar Aba Sikra het hoofd der Barjoniem (Sicariërs) in Jeruzalem genoemd wordt. Ver-basterd tot Hoschperjaune. Cf. V.P. 158. en 259. - Tendlau. 401.
864. Reschnen. Er reschnet sisch reisch, un er sseilt sisch arm (zeilt). Hij rekent zich rijk, doch telt zich arm. Hij rekent zich veel rijker, dan hij in werkelijkheid is. Hij rekent, in verkeerd optimisme, allerlei schijnbezit mee. Sseilen D. zählen.
865. Rettisch. Er esst rettisch un sie radieschen.
Hij eet rammenas en zij radijsjes. Bet: Zij deugen geen van beiden in zedelijk opzicht. Rettisch = ramenas.
Vgl. Sota 10a. Hij in pompoenen en zijn vrouw in augurken. Hier met betrekking tot de onzedelijkheid van Simson en zijn vrouwen. -In Megilla 12a. gebruikt met betrekking tot Achaschwerosch en Waschti. In beide gevallen, als spreekwoord aangehaald (״de mensen zeggen”). - Tendlau. 589.
866. Rewoochem. Nem ous daan rewoochem.
Neem uit je winst. Bet: Neem je winst maar. Beter een half ei dan een lege dop. Ook wel ironisch, als er niets aan te winnen valt. Rewoochem plur. van H. re wach = winst, hier als singularis gebruikt. V.P. 263. rewogim tiqog.
867. Rewoochen. Von rewoochem is noch kaaner arm geworden.
Van winst is nog niemand arm geworden.
868. Rieben. Er ken mir die rieben anzinden.
Hij kan mij de rapen in brand steken. Bet: Ik trek me niets van zijn bedreiging aan. Rieben D. Rüben. Anzinden D. anzünden.
200