857. Reisch. Reische leit hobben meer in der esch, wie arme in der tesch. Rijke mensen hebben meer in de as, dan arme in de zak. Bet: Wat de rijken weggooien is soms meer, dan de armen te eten hebben. V.P. 81. verbasterd weergegeven. Zie sub ״,aniut”. Zie 802. Esch.
858. Reischen. Wen die reischen, söchen, kennen die armen kochen. Als de rijken ziek zijn, kunnen de arme mensen koken. Bet: Dan worden de rijken tot inkeer gebracht en schenken aalmoezen aan de armen, ofwel geven de armen een betaalde opdracht gebeden en tillem (psalmen) te lezen voor hun genezing.
Tillem H. tehiliem = psalmen. Sochen: oude Middelhochd. vorm = siechen, kränkeln.
Schprichw. S.E.V. 14. Wen der Kootsen nit zeit zogge, hette mir niks se kogge. - M.J.V. 1899, 140, 200. Wenn de raichen sochen (siechen), hobn de ormen ce kochen. (Durch Psalmenlesen und Almosen ver-teilen). - Bernst. 177. As die n’gidim sochen, hoben die ureme leit was zu kochen. - Bernst. 190. Wen die aschirim krenken, thüen sej di ureme leit gedenken. Zie voor ״soch” ook Tendlau. 448. (onjuist verklaard).
859. Reiten. Besser schlescht geritten, wie gut gegangen.
Beter slecht gereden, dan goed gelopen. Vgl. Awot IV, 20. Beter de staart van de leeuw, dan de kop van de vos. Beter op een hoger niveau iets minder succes, dan op een lager meer. Zivy 260.
860. Reiten. Der jong reit, moss schpoot zu fuss gein.
Wie jong rijdt, moet laat (later) te voet gaan. Bet: Wie in zijn jeugd verkwistend is, lijdt in de ouderdom gebrek. Sprichw. S.E.V. 6.
861. Reiwech. Was douvon komt is reiwech.
Wat daar nog van terecht komt is ״meegenomen” (eig. winst). Daar is niet veel meer van te verwachten. Reiwech - H. rewach = winst. Tendlau. 614.
862. Reiwech. Was man nit hot, is reiwech (var. was aanem nit treft). Wat men niet heeft, is winst. D.w.z.: alle tegenspoed, die de mens niet
199