Rabbijnen een deel van hun salaris in ״turf” of andere brandstof betaald kregen.
Rebbe uit Rabbi. Umgelautete vorm. Aanspreektitel ־ niet alleen van officiële rabbijnen. Dikwijls gevolgd door eigennaam: Rebbe Jokef etc. Vgl. A. Frank, R. Arjeih Leib ben Saul en zijn tijd, blz. 9. ״Dass parnosem torf und holz werden geben, was dazu neitig werden sein.”
I. Maarsen, De Amsterdamse opperrabbijn R. Saul Löwenstamm en zijn tijd, pag. 27. Het inkomen van de opperrabbijn was bepaald op 440 rijksdaalders plus 2 vadem hout en 300 manden turf.
Ditzelfde kan men waarnemen in andere gemeenten als Leeuwarden, Nijmegen enz. zie: H. Beem, Verdwenen Mediene, pag. 36 en W. v. Leer Jiddisch protocolboek der Isr. Gemeente te Nijmegen, pag. 167.
849. Rebbe. Schtarbt der rebbe, lebt es sseifer (es chommesch).
Al sterft de leraar, het boek leeft. Bet: De leraar kan sterven, doch de wet is eeuwig. Later algemener: De leraar is gestorven, doch wat hij ons aan kennis heeft achtergelaten in zijn boeken is van blijvende aard. Sseifer H. sefer = boek, het boek, de wetsrol (Ssefer tora). Chommesch = 5 boeken Mozes. Zie 200.
V.P. 261. Starbt der Rebbe, ,s gomesh bleibt. - V.P. 55. Der rebbe is taud, ,s gomesh bleibt. - Vgl. het sefardische: Moshe morio, Adonai quedo. Moshe morio, e Deus ficou (V.P. 55). - Vgl. Bernst. 186. As der ssidur is nit geschtorben, is der rebi auch nit geschtorben (geeft daarbij anekdotische toelichting).
850. Rebbe. Wie der rebbe wil.
Zoals de rebbe wil. Nu eens zo, dan weer zo. Zo als het uitkomt. Ook van onzelfstandige mensen gezegd. Bernst. 253. Alz wi der rebi wil. - Weill pag. 178.
851. Rebbe. Rebbe Scheftel.
Ironisch gebruikt van iemand, die zich door optreden of kleding belang-rijker tracht voor te doen dan hij in werkelijkheid is.
Met zinspeling op een beroemd geleerde, rabbi Schaf tel ben Jesaja Hurwitz (1592-1660).
Voor zijn verblijf in Amsterdam in 1649 zie Brugmans & Frank, Geschiedenis der Joden in Nederland p. 312. Amsterdam 1940 - V.P .261 Betekenis niet juist weergegeven.
197