823. Potje. Potje mit salz komt ibberal bei.
Potje met zout komt overal bij. Gezegd van mensen, die zich overal mee bemoeien. Zinspeling op het gebruik, dat zich op een gedekte tafel altijd zout moet bevinden.
Ts. R. Bereschit la: ״Dou hot ha-Kodousch־Boruch־Hu die wasser auf der erden, zugesogt, dass man sol kein korbon (= offer) auf dem misbeach (= altaar) brengen, oder man sol salz derbei hoben un das salz kumt von dem wasser.” Vgl. voor de achtergrond: E scholchen is e misbeiech no. 974 en voor beriet melach (= zoutverbond). Leviticus II, 13. met Raschi t.p.: Numeri XVIII. 19, met Raschi t.p. alsmede II. Chr. XIII. 5.
Zie ook Eisenstein Otsar Diniem etc. Potje v. Pot = Nederlands of Nederduits. Zie 802. — V.P. 36. Potje Salz = bemoeial. - Van Esso: Zout in Joodse cultus en Folklore. Kol Ha-kehilla II, no. 5 e.v.
824. Potternascher. Sol er mir potternascher noochrufen. Var. Sol er mir Putternasz haassen.
Laat hij mij botersnoeper naroepen. Bet: Ik heb maling aan hem. Potter - opperd. vorm van Butter met Nederl. Jidd. overgang van u-o. Zie inleiding § 4, I, 12. Vgl. Choppe, chotspe etc. — Nascher = D. Nascher = snoeper. — V.P. 48. Ruf im Puternascher nooch. - V.A. II, no. 14, blz. 223, geheel onjuist.
825. Poulen. In Poulen is niks ze houlen.
In Polen is niets te halen. Uit Polen kwamen vele Joodse bedelaars (Schnorrers) de zgn. ״Polken” naar de Westeuropese gemeenten. Poeriemkranten no. 16. - Tendlau. 963. In Pole’ is nit viel zu hole'.
826. Pour, Pouer. Der macht: pour kom arous.
Die doet: Boer kom naar buiten. Bet: Die maakt slapende honden wakker. Pouer, zie 816. — Tendlau. 391.
827. Pour. Grepschen is e pour s’n noodchbrooche.
Oprispen (boeren) is de nabrooche van een boer. Grepschen, zie 301. Noochbrooche, zie 767.
192