Reminiscentie aan de rivaliteit tussen de Hoogd. Joden en de Portu-gezen. De Portugezen hadden in de ogen van de Hoogduitse Joden kouwe drukte, ruches, wind. Vandaar het beeld. Vgl. Ruchesmacher = opschepper, windbuil. Ook de spotnamen, waarmede beide groepen elkaar begiftigden, wijzen op deze rivaliteit. De Port. noemden de Hoogduitsen mattekloppers. De Hoogduitsen spraken van ééndarm, of schprankel. Dit laatste misschien, gedoopte, gesprenkelde, met een herinnering aan de katholieke periode der Marranen. Vgl. 819.
819. Portegies. Kaan portegies uf me chassene.
Geen Portugees op mijn bruiloft.
Evenals de nummers 615 en 818 herinnert deze zegswijze aan de animositeit tussen de Hoogduitse Joden en de Portugese.
Een Portugees is in het onderlinge spraakgebruik der Nederlandse Joden niet een bewoner van Portugal, maar iemand die tot het Por-tugees-Israëlitische Kerkgenootschap behoort.
Vergelijk voor deze en dergelijke afwijkende betekenissen. H Beem, She-eriet Woordenboekje, van het Nederlandse Jiddisch. Aanhangsel Nederlandse woorden in joodse omgeving, p. 146-154.Van Gorcum 1967.
820. Pöschet. Poschet jad gein.
Met ״uitgestrekte” hand gaan. Bedelen. Het klassiek Hebr. kent geen term voor ״bedelaar”. Het woord ״Kabtsan” duikt eerst na de Tal-moedische tijd op.
821. Posen. Was to isch urn sibben ur in Posen?
Wat doe ik om 7 uur in Posen? Wat moet ik daar eigenlijk zo vroeg, doen? Berust (zoals vaak) op algemeen bekende anekdote. Komt in Nederland met verschillende Nederlandse plaatsnamen gevariëerd voor.
822. Poter móchel. Isch bin ,m poter móchel.
Oorspronkelijk: poter umóchel. Ik vergeef hem alles. Bet: Ik wil hem graag kwijt. Poter H. poteer = vrijlatend. Mochel uit aschkenazische uitspraak moucheil met o i.p.v. ou. Zie inleiding § 4, I, 16. Van H. mocheel = vergeven. V.P. 233. en 243. - Mochel Tendlau. 364 en459. Zie no. 797.
191