un kaan Zure (— gestalte). - Schprichw. S.E.V. 3. Kaan ponem, kaan schmoeë.
809. Pönem. E schein ponem un e mies harz.
Een mooi gezicht en een lelijk hart. Bet: Zijn uiterlijk is beter dan zijn innerlijk. Schprichw. S.E.V. 6.
810. Ponem. Eiljenówes ponem un Parres harz.
Een gezicht als de profeet Elijahu, een hart als Pharao. Bet: Uiterlijk vriendelijk, innerlijk hard. (Vgl. een ijzeren vuist in een fluwelen handschoen). Eiljenowe H. Elijahu hanawi = de profeet Elia. Parre -Jiddische vorm van Pharao.
De profeet Elijah geldt in het volksgeloof als de voorloper van Maschieach. Vgl. Mal’achi III, 23, 24 (N.V. IV, 5, 6). Vele symbolen herinneren aan hem: een glas wijn op Seideravond, een stoel bij de besnijdenis, etc. zie 658.
Pharao geldt als de verstokte. Vgl. Exodus passim.
V.P. 117. Eiliohu hanowis ponim un phar’au’s hartz.
(Men dient er rekening mee te houden, dat V.P. vele uit de volksmond opgevangen uitdrukkingen eerst ״gefatsoeneerd” heeft, waardoor dikwijls de oude jiddische vorm geweld wordt aangedaan).
811. Pönem. Er hot e ponem wie e sseifer chajem.
Hij heeft een gezicht als een seifer chajem. Bet: Hij ziet er uit als een doodbidder. Sseifer chajem H. sefer chajiem = boek des levens. Eufemistische naam voor een boek, waarin de gebeden voor zieken, stervenden en gestorvenen etc. verzameld zijn. Met reminiscentie aan de eveneens eufemistische naam voor de begraafplaats: Huis des levens. Beis chajem H. Bet chajiem, zie no. 512.
812. Pönem. Es ponem is e moosser (vaak foutief: es ponem is me oosser) Het gezicht is een verrader. Bet: Zijn gezicht verraadt zijn karakter. Het lidwoord ״das” is in de 18e eeuw in Nederl. Jidd. tot es geworden. Zie inleiding § 5, no. 7. Moosser - Mousser H. mosseer = verrader, aanbrenger, voor Aschkenazisch ou־o, inleiding § 4, I, 16. - V.P. 221. -Bernst. 202.
189